donderdag, maart 29th, 2012
In Den Haag vindt van 22 tot 28 maart de tiende editie van het Movies that Matter Festival plaats. Het film- en debatfestival besteedt aandacht aan mensenrechten en is ontstaan vanuit het Amnesty International Film Festival. Tijd voor CultuurBewust.nl om eens te praten met Taco Ruighaver, directeur en hoofd programmering van het festival.
Hoe ben je bij het festival betrokken geraakt?
“Ik ben erbij betrokken geraakt doordat ik daarvoor al tien jaar als vrijwilliger schreef voor het jongerenmagazine van Amnesty International, dat heette toen Frontaal. In mijn werkzaam leven had ik ervaring met zowel evenementenorganisatie, film als communicatie. Dat was eigenlijk de combinatie waardoor ik op deze post terecht kwam.”
Jullie vinden de kracht van de camera als maatschappelijke wapen erg belangrijk, zou je dat willen toelichten?
“Er zijn zo ontzettend veel voorbeelden in de wereld van zaken die door mensenrechtenorganisaties of journalisten zijn onderzocht. Daar zijn rapporten over verschenen en die worden besproken, maar de wereld staat niet op zijn kop. Maar de zeggingskracht die vooral in het narratieve en het visuele van film zit, heeft het vermogen om je te laten identificeren met mensen. Als je op het nieuws hoort dat er 25.000 doden zijn, wat kun je je daar in godsnaam bij voorstellen? Terwijl als je een film ziet over een familie die daarbij betrokken is dat een compleet ander verhaal is.”
Naast dat je directeur bent van het Movies that Matter Festival ben je ook hoofd programmering, hoe gaat dat programmeren in zijn werk?
“Er spelen daarbij nogal veel dingen. Één van de dingen die we belangrijk vinden is een goede mix van onderwerpen maar ook van stijlen in films. Ik heb zelf een grote voorkeur voor films die niet voorzeggen aan het publiek hoe het zou moeten zijn. Het is ook belangrijk dat mensenrechten niet iets is wat uitsluitend “daar in dat zielige Afrika zich afspeelt”, dat gaat ook – dat zie je aan de openingsfilm Special Flight (Fernand Melgar, 2011) – over hier en nu.”
Jullie proberen een jonger publiek aan te trekken, hoe zijn jullie daar mee bezig?
“Toen we nog in Amsterdam zaten hielden we het festival in Kriterion, dat is bij uitstek een studentenbioscoop. Dus toen wij verhuisden naar Den Haag steeg de gemiddelde leeftijd meteen, toen werden we meteen wakker. We zijn nieuwe samenwerkingsverbanden aangegaan met bijvoorbeeld Moviesquad, de Haagse Hogeschool en het Institute of Social Studies. We hebben jongerenambassadeurs die binnen hun kring praten over wat het festival inhoudt. Dit zijn maar een paar voorbeelden, maar bij onze afdeling communicatie en educatie is op dat gebied heel veel gaande.”
Naast het reguliere programma hebben jullie ook ter verdieping debatten, Q&A’s en allerlei andere randactiviteiten. Kan je hier ook heen als je geen verstand hebt van film of mensenrechten?
“Ja, absoluut. Vorig jaar zei iemand tegen me ‘wat ik nou zo leuk vind aan jullie festival, het lijkt wel IDFA in de begintijd’, dus je ziet aan de bar het Tweede Kamerlid staan wat in het debat aanwezig was. De activisten en de filmmakers zijn heel benaderbaar, dus dat maakt het zo leuk. Tenminste als je interesse hebt en verder wilt kijken dan je neus lang is, dan is het erg leuk om je daar tegenaan te bemoeien. Of om te horen wat mensen die veel weten over mensenrechten daar over te zeggen hebben.”
Waarom is het leuk voor jongeren om het Movies that Matter Festival te bezoeken?
“Het is leuk, althans als je die interesse hebt. Het is voor mensen met interesse in de wereld om zich heen. En dan is film natuurlijk een heel aantrekkelijk middel. Ons festival vertoond voor 70% documentaires, die zijn voor veel mensen al iets minder toegankelijk dan speelfilms. Er zijn ook voorbeelden van films die ik net al noemde die helemaal niet ingewikkeld zijn. Daarbinnen vind je volgens mij ook als jongere iets naar je smaak. Iemand van Theater aan het Spui zei: ‘dat festival van jullie dat is natuurlijk pittig qua thematiek maar het ziet er hier het vrolijkste uit en alle mensen zijn gezellig en hebben een bijzonder verhaal’. Dus dat zware, wat ons wel eens aan onze broek hangt, ervaren heel veel mensen die op het festival zijn allerminst. Integendeel.”
Tags: Amnesty International, CultuurBewust.nl, debat, Film, Filmhuis Den Haag, mensenrechten, Movies that Matter Festival, Taco Ruighaver, theater aan het spui
Posted in Film, Interview | No Comments »
donderdag, maart 29th, 2012
Maak kennis met kunstenaar L-Tuziasm, oftewel enthousiaste Lars. In zijn vrije tijd werkt hij met jongeren en doet hij aan Krav Maga, een Israëlische vechtsport die “heftiger klinkt dan het is.” Maar het liefst van alles werkt L-Tuziasm in zijn eigen atelier waar hij abstracte stadsgezichten maakt. Hier exposeert hij ook regelmatig, alleen of met vrienden. Momenteel hangt zijn werk in de PoPuP Galerie in Utrecht en in april is het ook in Galerie Het Kunstbedrijf in Heemstede te bewonderen. CultuurBewust.nl sprak met L-Tuziasm over zijn werk en zijn leven als kunstenaar.
Je schildert stadsgezichten. Hoe ga je te werk?
“Ik begin met vierkantjes, dat zijn de stenen. Daar bouw ik vervolgens langzaam een stad mee. Voor mijn schilderijen gebruik ik voornamelijk acrylverf. Ik geef een schilderij nooit een titel die verwijst naar een bepaalde stad, want het gaat erom wat de kijker erin ziet.”
Dus je wilt graag dat er iets bij de beschouwer ontstaat?
“Ja, maar het is ook weer niet zo dat ik heel sterk een boodschap wil overbrengen. Ik maak geen kunst waarmee ik de wereld wil verbeteren of waarmee ik mensen iets op wil leggen. Ik vind het juist heel mooi als jij je fantasie de vrije loop laat.”
Hoe zou je jouw stijl omschrijven?
“Ik maak heel kleurrijk werk, erg vrolijk en speels. Je kunt ook wel zien dat het heel vrij is, heel expressief. Als iemand een heel mooi olieverfschilderij heeft gemaakt, bijvoorbeeld van jouw glas appelsap, dan zie je echt dat diegene heeft zitten denken en misschien wel uren aan een schaduw heeft gewerkt. Mijn werk heeft dat niet, daar zit een bepaalde snelheid en spontaniteit in.”
Je hebt geen kunstacademie gedaan maar je bent een autodidact in het schilderen. Is dat wel eens een probleem?
“Natuurlijk spreekt mijn werk niet iedereen aan. Soms vinden mensen dat het teveel aan de oppervlakte blijft hangen. Maar nogmaals: ik heb niet perse een dieperliggende gedachte of boodschap die ik over wil brengen. Dat is natuurlijk wel iets wat je op de kunstacademie mee krijgt. Nadenken over waarom je iets maakt, wat je idee erbij is, waarom je voor bepaald materiaal kiest. Je doet er een heleboel kennis op. Maar tegelijkertijd wordt daarmee een deel van de spontaniteit afgeleerd.”
Vind je het lastig om je als kunstenaar te profileren?
“Nee, eigenlijk niet. Ik probeer zelf de publiciteit op te zoeken en mijn werk op zoveel mogelijk plekken neer te zetten. Er staat bijvoorbeeld een door mij beschilderde paspop in een kapsalon in Utrecht. Binnenkort wordt een schilderij van mij geveild voor de Ubuntu Street Kids Foundation, een organisatie die theater maakt met straatkinderen in derde wereldlanden. Ik vind het een mooi goed doel. Net als de Elephant Parade, waarvoor ik een keer een levensgrote olifant heb beschilderd. Zij zamelen geld in voor een betere leefomgeving van Aziatische olifanten. Daar pasten mijn stadsgezichten goed bij: de beschildering van die olifant met mijn stenen illustreerde mooi hoe vol wij de wereld vol bouwen en steeds meer leefomgeving van de olifanten afnemen.”
Wat zou je in de toekomst nog willen bereiken?
“Het is de bedoeling dat ik kan blijven doen wat ik doe. Nu kan ik nog niet volledig van de kunst leven, maar hopelijk over een paar jaar wel. Ik vind in ieder geval dat je een droom moet hebben. Als je ergens heel erg naar uitkijkt, vind je het ook niet erg om hard te werken om dat doel te bereiken.”
Tags: Elephant Parade, expressief, Heemstede, Interview, Krav Maga, L-Tuziasm, Nina Schuyffel, PoPuP Galerie, schilderkunst, snelheid, Spontaniteit, Stadsgezichten, Ubuntu Street Kids Foundation, Utrecht
Posted in Home, Interview, Kunst | No Comments »
woensdag, maart 28th, 2012
Iduna Paalman (21) schrijft al sinds ze op de basisschool zat. Ze droomde van Billy boekenkasten vol met haar boeken. Haar grote voorbeelden zijn schrijvers als Arnon Grunberg, Bart Moeyaert en Carson McCullers. Ze werd door Edward van Vendel gevraagd om mee te doen aan het project ABC Yourself, een website waar columns van talentvolle jonge schrijvers verschijnen. Nu zijn haar verhalen verzameld in de bundel Hee Maisje!
Hoe ben je bij ABC Yourself terecht gekomen?
‘Ik kende Edward al. Voor mijn profielwerkstuk over het schrijven van een boek heb ik schrijvers geïnterviewd, daarvoor heb ik onder andere Edward benaderd. Hij heeft een aantal stukken gelezen van het boek dat ik voor mijn profielwerkstuk aan het schrijven was. Omdat hij talent in mij zag, verwees hij mij door naar de wedstrijd Doe Maar Dicht Maar. Die heb ik toen gewonnen. Tijdens de manifestatie kwam Edward naar mij toe met de vraag of ik mee wilde doen met zijn project ABC Yourself.’
Is het je handelsmerk om over je eigen omgeving te schrijven?
‘Nee, helemaal niet. Edward wilde jonge getalenteerde schrijvers kilometers laten maken door ze een kader te bieden met een stok achter de deur. Hij bedacht dat we twee à drie keer in de week een column moesten schrijven, maar dat is echt veel. Op een gegeven moment weet je niet meer waar je het vandaan moet halen en dan begin je vanzelf autobiografische dingen te schrijven. Dat is niet mijn handelsmerk, maar het paste wel heel goed binnnen het ABC-project.’
Maar waar haal je dan de inspiratie vandaan?
‘Nou zo’n heel boeiend leven leid ik eigenlijk niet. Ik ben gewoon een student in Amsterdam, maar als je zo vaak schrijft ga je toch letten op de kleinere dingen. Toen ik voor dat project schreef, ging ik nog vaak terug naar waar ik vandaan kom, een dorp in Drenthe. Dan zat ik elk weekend in de trein en ging ik mensen in de trein bekijken. Gewoon de kleine dingen die je opvallen. Ik heb er ook een heleboel bij gefantaseerd hoor. Soms dan zie of hoor ik iets en heb ik het gevoel dat er wel wat in zit. Ik schrijf dan een zin in mijn telefoon, een beginnetje, en maak ik daar later een verhaaltje van. Voor de goedheid van het verhaaltje fictionialiseer ik het wel een beetje.’
Lezen wij hier over de echte Iduna of over een andere versie van jou?
‘Ik denk dat als je me kent en dan het boek leest, je denkt van ‘ohja!’. Maar als je me niet kent, dan betekent dat niet dat je Iduna helemaal door hebt. Ik probeer wel altijd oprecht te zijn. Dat betekent niet dat elk woord waar is, maar wel elk gevoel dat uit zo’n stukje spreekt waar is. Ik merk dat de stukjes die ik zelf het best gelukt vond, de stukjes waren waarbij ik even helemaal overboord schoof wat anderen ervan konden vinden. Dat ik me er niet voor moest schamen of het niet te bloot was. Ik heb zoveel mogelijk geprobeerd dat aan de kant te schuiven en gewoon te schrijven wat er is.’
Hoe was de begeleiding van Edward?
‘Oh fantastisch. Ja, ik ken niemand die enthousiaster is dan hij. Ik word nog wel eens geteisterd met de gedachte dat er niemand zit te wachten op wat ik aan het schrijven ben. Edward geeft mij altijd het gevoel dat er wel mensen zijn die mijn verhalen willen lezen. Hij heeft me inhoudelijk geholpen en is ook kritisch geweest. Ik vind niet dat hij altijd gelijk heeft. Het is een goede leer om bij jezelf te blijven. Heel vaak zijn het onderbuikgevoelens. Edward vraagt me dan waarom ik iets op die manier heb opgeschreven. Dan ga je daar wel heel erg over nadenken.’
Heb je al plannen voor een nieuw boek?
‘Nou ik heb wel wat halve bestandjes op mijn computer staan, maar ben nu hard aan het studeren en ik doe nog veel aan theater. Volgende week ga ik voor vier maanden naar Berlijn om te studeren. Alles op zijn tijd. Ik heb wel het vertrouwen dat het komt, omdat ik het heel graag wil. Ik wacht gewoon het goede moment af en blijf ondertussen veel schrijven.’
Tags: CultuurBewust.nl, hee maisje, iduna paalman, Interview, jongvolwassenen, Lemniscaat, Literatuur, Rozemarijn Strubbe
Posted in Interview, Literatuur | No Comments »
maandag, maart 26th, 2012
Hij is pas 21 maar heeft nu al een eigen solotentoonstelling. Rietveldstudent Michan Mijsbergh tekent en schildert. Met zijn kunstwerken laat hij zien wat er in zijn hoofd omgaat. Het zijn expressieve schilderijen die zijn vervaardigd met verschillende materialen, van oliepastel tot schoenpoets. CultuurBewust.nl ging met Mijsbergh in gesprek over zijn expositie Eat Your Heart Out, tot en met 29 april te zien in de Go Gallery in Amsterdam.
De Go Gallery is niet geheel onbekend terrein voor Michan Mijsbergh. Als veertienjarig jongetje kwam hij er al graag met zijn moeder, een kunstenaar die er regelmatig exposeerde. Hij deed er veel inspiratie op en vertaalde dat naar zijn eigen schetsboek. Oscar van der Voorn en Farud Cambatta, de twee eigenaren van de Go Gallery, zagen in Mijsbergh al snel een veelbelovend kunstenaar. Toen hij vorig jaar aangaf wel klaar te zijn voor een eigen expositie twijfelden ze dan ook geen moment.
Hoe is Eat Your Heart Out tot stand gekomen?
“Ik heb eerst een concept gemaakt. Daar heb ik de richtlijnen van de tekeningen aan verbonden zodat het een geheel werd. Twee van de werken die er hangen had ik al, de rest heb ik speciaal voor de expositie gemaakt.”
Hoe kwam je bij dit thema?
“Mijn vriendin heeft een hartafwijking. Niet een grote, maar je leeft er wel mee. Dus op een gegeven moment ben ik harten voor haar gaan tekenen. Maar wel realistische harten, om te laten zien dat er een soort keerzijde zit aan de liefde die we voor elkaar voelen. Het is niet altijd een goed teken, een hart, omdat er ook een andere kant aan zit. Soms ben ik wel bang dat er iets met haar gebeurt.”
Je wilt de andere kant van de medaille laten zien?
“Ja, inderdaad. Ik vind negativiteit sowieso mooier dan positiviteit. Het is interessanter om vanuit het negatieve te werken omdat positieve dingen altijd al worden uitgelicht. Daar heb ik me op gefocust. De harten die ik teken stralen aan de ene kant iets positiefs uit, omdat ik heel veel van mijn vriendin houd. Maar tegelijkertijd is er toch dat andere, meer negatieve aspect dat zij altijd met zich meedraagt.”
De harten zijn dus een terugkerend thema in je werk. Maar ik zie bijvoorbeeld ook veel apen, kruisjes en sterren.
“Die apen waren een ingeving. Ik hoorde een keer dat niet mensen, maar apen de eerste levende wezens waren die de ruimte in werden geschoten. Dat vond ik zo boeiend! Het zegt iets over de rariteit van de mens dat we opeens apen de ruimte in gaan schieten. Een aap is echt een proefdier geworden. En hoe zou dat eruit hebben gezien, in zo’n ruimtepak? Fascinerend vind ik dat.
“Die kruisjes en sterren zijn eigenlijk fouten. Als ik aan het schilderen ben en ik zet een lijntje verkeerd, dan maak ik er een kruis of ster van en dan is het geen fout meer. Dat sluit ook weer aan op die twee kanten: een fout is negatief, maar als je het markeert is het geen fout meer en maak je er iets positiefs van.”
Niet alleen de eigenaren van de Go Gallery zien in Mijsbergh een veelbelovend talent. Volgens hen zijn er in Nederland en daarbuiten inmiddels heel wat verzamelaars van zijn werk. Zelf blijft Mijsbergh er redelijk nuchter onder.
Hoe ziet de toekomst eruit voor Michan Mijsbergh?
“Ik vind mezelf nog veel te jong om aan de toekomst te denken. Ik blijf altijd wel tekenen denk ik. Of ik ervan kan leven weet ik niet, maar daar moet je ook niet vanuit willen gaan. Eerst maar eens afstuderen en dan zie ik wel waar mijn schilderijen terecht komen.”
Tags: amsterdam, Eat Your Heart Out, Farud Cambatta, Go Gallery, Interview, Michan Mijsberg, Oscar van der Voorn, Rietveld academie, street art
Posted in Interview, Kunst | No Comments »
donderdag, maart 22nd, 2012
Het is alweer zijn derde Toneelschuurproductie. In De ziekte die jeugd heet borduurt regisseur Casper Vandeputte (1985) ijverig verder op de thematiek van zijn vorige voorstellingen: het gevoel van onbestemdheid onder jonge mensen. Hij bewerkte een toneelstuk uit 1926 van de Oostenrijkse toneelschrijver Ferdinand Bruckner over twintigers met angst voor ‘het echte leven’. Mensen die geobsedeerd zijn door zichzelf en de buitenwereld volledig negeren. De ziekte die jeugd heet gaat niet over Facebook, Generatie IK of het populaire begrip ‘quarterlife crisis’. Vandeputte wil juist weg van de actualiteit en onderzoekt met zijn enscenering parallellen met de tijd waarin Bruckner zijn toneelstuk schreef. CultuurBewust.nl bezocht een repetitie en stelde de jonge theatermaker enkele vragen.
Hoe verhoudt deze productie zich tot je laatste voorstelling Polaroids?
“Polaroids werd een voorstelling over een groep jongeren, omdat we met jonge acteurs speelden, maar het was niet expliciet een toneelstuk over jonge mensen. Beide voorstellingen zijn portretten over mensen die zoekende zijn. De ziekte die jeugd heet gaat echter over een ander segment van dezelfde thematiek. De personages in deze voorstelling zijn bang om te beginnen met hun leven, terwijl in Polaroids de personages konden terugkijken op wat ze met hun leven hadden gedaan.”
Was je je bewust van deze gelijkenis in thematiek toen je begon te werken aan De ziekte die jeugd heet?
“Ja, heel erg. Daar heb ik dit toneelstuk op uitgekozen. Bij Polaroids draaide het om levensbeschouwelijke vragen. Maar bij De ziekte die jeugd heet gaat het over de keerzijde van het stellen van die vragen. Over de keerzijde van het geobsedeerd bezig zijn met die onzekerheden en levensangst. Door dit toneelstuk heb ik me beseft dat ik niet door mijn eigen twijfels geobsedeerd wil zijn. Je kan er zo in doorzakken in dat gevoel. Dit stuk confronteert me daarmee. Ik ben er nu ook even helemaal klaar mee, met dat existentiële getob.”
De cast van De ziekte die jeugd heet bestaat net uit als bij Polaroids uit leeftijdsgenoten. Hoe vind je het om te werken met jonge acteurs, mensen van je eigen generatie?
“Ik doe dat graag. Ik ben op mijn best als ik voor mijn gevoel niks hoef te bewijzen. Ik waak ervoor dat ik tijdens het repeteren niet de baas ga spelen en probeer te doen alsof ik het weet. In het repetitielokaal durf ik zonder al te veel gêne veel over mezelf te vertellen. Dat ik met leeftijdsgenoten werk, zorgt ervoor dat ik dat extra veel doe. Daardoor heb ik mijn eigen stem kunnen vinden in het repetitielokaal, dat vind ik heel fijn.”
Beschouw jij jezelf als een acteursregisseur?
“Die naam heeft iemand mij gegeven, ja. Het is waar in die zin dat ik altijd in het verhaal en in het drama duik. Ik beschouw dat bijna als een zwakke kant van mezelf, want ik vind het moeilijk om naar de beeldtaal te kijken. Veel van mijn aandacht gaat naar de acteurs, ik check altijd of ze iets speelbaar vinden. Ik vind ook dat er in mijn voorstellingen goed wordt geacteerd. Dat komt denk ik gewoon omdat ik met hele goede acteurs werk.”
Wie is jouw ideale publiek voor deze voorstelling?
“Wat ik het allerliefste wil is dat er jonge én oudere mensen samen in de zaal zitten. Ik zou het niet leuk vinden als hier alleen maar jongeren op afkomen, want het stuk gaat over meer dan alleen jong zijn. Het is ook een studie naar dat soort gedrag. Ik vind het moeilijk om te formuleren wat dan het ideale publiek is, want je kan om zo veel redenen van theater houden. Deze voorstelling is voor mensen die bereid zijn om achteraf nog even over de thematiek na te denken.”
Wie zou ik, als medetwintiger, moeten meenemen naar De ziekte die jeugd heet?
“Ik vind altijd dat je je ouders moet meenemen naar het theater. Dat is het leukste.”
De ziekte die jeugd heet van Casper Vandeputte/Toneelschuur Producties is te zien op 22 maart t/m 5 april om 20:00uur, uitsluitend in de Toneelschuur in Haarlem.
Tags: Casper vandePutte, Claire Goossens, De ziekte die jeugd heet, Ferdinand Bruckner, Interview, polaroids, Theater, Toneelschuur, Toneelschuur Producties
Posted in Interview, Theater | No Comments »
maandag, maart 19th, 2012
Utrechtse theaterliefhebbers werden 2, 3 en 4 maart getrakteerd op theater in de kroeg, tijdens het Café Theater Festival. Speciaal voor het festival werden voorstellingen gemaakt en ingedeeld in thematische ‘routes’ langs cafés en restaurants door de stad. Eén van de routes dit jaar bestond uit verwerkingen van Who’s afraid of Virginia Woolf?, het klassieke toneelstuk over echtelijke strubbelingen die onderhuids woeden (en plots kunnen exploderen). Theatermaker Malou van Sluis gebruikte het thema om een ouder stuk uit haar repertoire te remaken in samenwerking met toneelschrijver Koen Caris. Het resultaat: Voor wie er nog te vrezen valt, opgevoerd in tapasrestaurant Maria.
Malou speelt zelf de vrouwelijke hoofdrol in het stuk, naast haar collega Alex van Bergen. Alex: “Als je Who’s afraid of Virgina Woolf kent kijk je natuurlijk op een ander niveau naar onze voorstelling dan als dat niet zo is. Maar wij proberen als theatermakers altijd om de voorstelling voor iedereen toegankelijk te maken. Juist bij deze voorstelling op locatie is dat belangrijk, omdat het publiek soms gewoon rustig een bordje zit te eten.” Vlak na hun zondagmatinee sprak CultuurBewust de twee jonge makers over het festival, en over hoe het is om in een café te spelen.
Hoe ging het?
Malou & Alex in koor: “Goed!”
Malou: “We waren een beetje bang dat er weinig mensen zouden zijn op zo’n zondagmiddag, maar om tien voor drie stroomt het toch helemaal vol – en dan gieren de zenuwen weer door ons lijf.
Alex: Je merkt toch dat het ’s middags anders spelen is dan ’s avonds. Een mooie stilte laten vallen is er niet bij als ‘s avonds iedereen aan het bier en de tapas zit. ’s Middags is de voorstelling subtieler, en dan ontstaat er meer ruimte om meerdere lagen te zien. Ons stuk gaat in eerste instantie over een stel dat ruzie maakt in een café, maar er zit er veel meer in… Als je goed kijkt, ga je je afvragen wat voor spelletjes dat koppel met elkaar speelt. Hebben ze altijd ruzie? En vinden ze het stiekem wel leuk dat men met ze mee kan kijken?”
Helpt de bijzondere locatie bij het vertellen van dat verhaal?
Alex: “Het restaurant is zelfs een soort derde speler. We hebben de voorstelling speciaal voor dit restaurant, en in dit restaurant gemaakt, dus we werken met alles dat zich in die ruimte bevindt.”
Malou: “En dat we in zo’n echte locatie staan, werkt ook heel goed voor dit publiek. We hebben voor echt kroegpubliek gespeeld; niet de typische toneelgangers. Maar wij spelen concreet, in het hier en nu, en kunnen de kijkers daarom echt bereiken, ze echt verrassen. Mijn begin is ook prettig choquerend. Ik roep hard ‘Jezus Christus!’, en spring op de bar. Dan hebben we de aandacht wel.”
Is dat niet eng?
Malou: “In het begin was dat heel spannend! Ik doe ook nogal wat kunstjes, loop te balanceren tussen de lampen op hoge hakken. En op vrijdagavond, tijdens de première, was het ook nog stampvol. Toch was dat fantastisch. Ik liep op een gegeven moment achteruit het publiek in en de mensen gingen voor me opzij, heel natuurlijk. Ze deden gewoon mee. Het begin is spannend, maar als je ze dan hebt, heb je ze wel voor de rest van de avond.”
Alex: “En ik hoef vanaf dan alleen maar te reageren. Je voelt je namelijk ook echt voor schut gezet als een vrouw voor je op de bar springt en je van alles naar je hoofd slingert…”
Hebben jullie qua spel door deze voorstelling nu inspiratie opgedaan, nieuwe inzichten gekregen voor als jullie weer in een ‘gewoon’ theater staan?
Alex: “Het is een versterking geweest van hoe we altijd al graag spelen. We spelen graag concreet. Niet overdreven theatraal, maar als mensen van vlees en bloed. We zeggen misschien geen alledaagse zinnen, maar zeggen ze wel direct, gericht. Er zitten geen verborgen, romantische laagjes in.”
Malou: “Als toneelmaker wil je vaak een soort artistieke beelden gebruiken, maar hier in de kroeg zijn we er nog meer achter gekomen dat al die poespas eigenlijk helemaal niet nodig is. Alles dat aanwezig was in de Maria hebben we kunnen gebruiken om een compleet verhaal te vertellen. En dat concrete is heel waardevol als acteur – ook als je Shakespeare speelt. Hoe concreter je speelt, hoe meer mensen zich ermee kunnen identificeren.”
Volgend jaar weer dus?
Malou: “Dat zou heel leuk zijn! Ik vind het heel jammer dat ons stuk vanavond weer klaar is.”
Alex: “Het mooie aan dit festival is dat je een publiek bereikt dat je normaal niet zo snel zou zien. ’t Is ook leuk om in je eigen stad te spelen. We wonen alle twee in Utrecht, en hebben hierdoor wel meer feeling met de stad gekregen. Ik was nog nooit in de Maria geweest, maar ga daar nu binnenkort zeker een keer tapas eten. Bovendien zijn wij acteurs gewoon speeldieren. In de kroeg of in het theater, als we maar bezig kunnen blijven.”
Tijdens het Café Theater Festival wonnen Malou en Alex de prijs voor meest veelbelovende theatermakers. Zij zijn daarom binnenkort te bewonderen op het Amsterdam Fringe Festival.
Tags: Alex van Bergen, Cafe Theater Festival, Interview, kroeg, Locatietheater, Malou van Sluis, Reportage, toneel, Utrecht, verwerking, Voor wie er nog te vrezen valt, Who's Afraid of Virginia Woolf
Posted in Interview, Theater | No Comments »
dinsdag, maart 6th, 2012
De bekende letters van Foam zijn ondanks de drukte op de Vijzelstraat bijna niet te missen. Het museum opende een maand geleden &Foam, een nieuw initiatief waar van alles te koop is op het gebied van de fotografie. Naast het museum op de Keizergracht en de projectlocatie in Amsterdam-West is dit nu de derde locatie van Foam. Met de winkel hoopt Foam fotografie toegankelijk te maken voor een breed publiek. Bovendien is het een manier om meer inkomsten te genereren, naast alle andere initiatieven die Foam onderneemt. CultuurBewust.nl sprak met Anne Colenbrander over de winkel.
Een paar maanden geleden stond Foam in de tentoonstelling What’s Next? stil bij de toenemende rol van internet en digitalisering in de fotografiewereld. Hoe kunnen musea ervoor zorgen aantrekkelijk te blijven voor publiek? Foam blijft zoeken naar een antwoord op die vraag. Via diverse projecten, zoals het internationale fotografieblad Foam Magazine, de website Foam.org, de galerie Foam Editions, tentoonstellingen op locatie en nog veel meer blijft Foam actief op zoek naar nieuwe doelgroepen en nieuwe samenwerkingen. &Foam is het nieuwste initiatief. In de winkel zijn fotografieboeken en –tijdschriften te koop, maar ook andere aan fotografie gerelateerde producten, zoals posters, t-shirts en tassen met een print van een jong talent.
Concept store
Een tweede doel is alternatieve inkomsten te vinden in verband met de bezuinigingen in de culturele sector. ‘Cultureel ondernemerschap is op dit moment natuurlijk een heet hangijzer,’ zegt Anne Colenbrander van Foam. ‘Met het wegvallen van veel subsidies worden musea gedwongen te kijken naar andere manieren om inkomsten te genereren. Wij vinden het opzetten van een concept store daar goed binnen passen.’ &Foam gaat elk kwartaal samenwerkingen aan met instellingen op het snijvlak van de beeldende kunst en fotografie. Er is bijvoorbeeld een installatie te zien die gecureerd is door Niels Klavers, hoofd mode van de Gerrit Rietveld Academie. En er zijn vintage boeken van JOOT te koop, een kunstboekenwinkel in de negen straatjes. Daarnaast is er Foam Editions, de galerie van Foam, waar foto’s van jong talent en meer gevestigde namen te koop zijn. Die foto’s worden in beperkte oplage aangeboden voor een aantrekkelijke prijs. ‘Zo wordt de drempel voor kunstverzamelaars lager om fotografie te kunnen kopen en krijgen jonge fotografen tegelijkertijd de mogelijkheid tot meer exposure,’ aldus Colenbrander.
Zelfstandig
De opbrengst van de fotografieproducten in &Foam wordt direct teruggestopt in bijvoorbeeld de educatieve projecten van Foam. Op die manier biedt het museum niet alleen jonge fotografen een helpende hand, maar investeert het ook in zichzelf. Dit is meteen een antwoord op de tweede vraag die aan de orde kwam bij What’s Next?, namelijk in hoeverre een fotografiemuseum in de toekomst zelfstandig kan blijven bestaan. Wie &Foam bezoekt zal zien dat het veel meer dan een winkel ook een beleving is, zoals bij een concept store de bedoeling is. Momenteel staat alles nog in het teken van mode, maar het assortiment wisselt elke drie maanden. Colenbrander: ‘Nu is het Fashion&Foam, vanaf 19 maart volgt Music&Foam, daarna Design&Foam en Film&Foam.’
Tags: amsterdam, Foam, foto's, fotografie, Nina Schuyffel, Vijzelstraat, What's next
Posted in Interview, Kunst | No Comments »
zaterdag, maart 3rd, 2012
De 25-jarige Jasper van Luijk rolt direct van de opleiding choreografie van ArtEZ dansacademie in het Holland Dance Festival. Hij ervaart de sfeer van het festival als fantastisch, en noemt het een grote eer dat hij daar deel van mag uitmaken. Korzo selecteerde het werk van de jonge choreograaf onder de noemer ‘New Talents’, en op 23, 24 en 25 februari was te zien waarom. Met zijn voorstelling About There & Here weet Jasper zich op een vernieuwende wijze te onderscheiden van de heersende danstrends op Holland Dance.
Met 25 jaar ben je als choreograaf relatief jong. Op welke manier was dit een voordeel bij het maken van de voorstelling?
‘Voor het Holland Dance festival ben ik inderdaad erg jong, en het is dan ook een hele grote eer om hier te staan en dat Korzo mij heeft uitgenodigd om dit te doen. Ik weet niet of mijn leeftijd een voordeel is, maar het is zeker interessant. Wat je vooral op Holland Dance ziet is een prachtige esthetische danstaal uit allerlei verschillende werelddelen. Ik ben nog heel erg aan het zoeken. Normaal maak ik hele dansante dingen, maar dit stuk is juist minimaal en intentioneel. Ergens is het een experiment om te kijken hoe dat binnen Holland Dance valt. Ik ben een contrast met de rest van de namen, en een ander geluid is altijd goed.’
Vaak staat een choreograaf eerst zelf als danser op het podium. Waarom is dit niet aan jou besteed?
‘Ik ken toevallig heel veel mensen die niet dansen voordat ze aan choreografie gaan doen. En ik wist vanaf de opleiding al wat ik wilde maken. Ik heb tijdens mijn opleiding heel veel stukken gedanst bij choreografen, maar ik vond het zelf maken van dans zo belangrijk om te doen dat ik daar gewoon in verder moest. Voordat ik de opleiding ging doen dacht ik nog dat ik chirurg ging worden. Vanuit het stijldansen begon ik me voor dans te interesseren, en zodoende ben ik hier terecht gekomen.’
About There and Here gaat over twee mensen die elkaar kruisen op hun levenspad. Wat fascineert je aan menselijke interactie?
‘Menselijke interactie fascineert me omdat het anders is per individu en per groep. Het is zo veranderlijk als de wind. Ik vind het heel mooi dat ik bijvoorbeeld met jou heel anders praat dan met mijn dansers of met mijn vriend. En ook dat die verhoudingen ook shiften per dag, per nacht, naar gelang gevoel en mentale status.’
‘De voorstelling gaat over twee mensen die toevalligerwijs of niet – dat wil ik even open houden – elkaars pad kruisen. Ze maken dezelfde dingen mee, maar op een andere manier. Op het moment dat ze samenkomen zie je eigenlijk pas waarom alles wat daarvoor is gebeurd zich heeft afgespeeld. Alsof je eigenlijk begint met het einde en eindigt met het begin.’
Wat wil je met de voorstelling bereiken?
‘Het uitgangspunt voor het stuk was dat ik kleine schetsen wilde maken van personen. Mooie menselijke beelden, zonder per se de danstaal te benadrukken. Ik wil eigenlijk kijken hoe erg het publiek kan inzoomen op een performer en, misschien riskant, hoeveel geduld heeft een publiek?’
‘Ik hoop ook dat we de verschillende facetten van het mens zijn kunnen laten zien. Vooral de facetten die je normaal niet ziet, ook niet van je beste vrienden. Als je echt, echt kapot bent, en je lichaam niet meer kan laten stoppen met shaken. Iedereen krijgt momenten in zijn leven – als je mazzel hebt niet – waarop die dingen eventueel kunnen gebeuren. Hoe benader je dat dan, en hoe overvalt zo’n beeld je? Dat vind ik heel interessant.’
In hoeverre beschouw jij dans als een manier van communicatie?
‘Ik denk dat iedereen zijn eigen fysieke taal heeft, en dat je daar veel strakker aan kunt aflezen wat de echte waarde is van hetgeen dat je probeert te communiceren, dan uit het verbale. Ik geloof in teksttheater – ik hou ervan - maar ik geloof meer in het fysieke, en in de manier waarop je als mens dingen uitdraagt. Daar gaat veel meer eerlijkheid van uit.’
Hoe ziet jouw ideale toekomstcarrière eruit?
‘Ik zou heel graag vrij willen blijven om nooit op dezelfde manier te werken, en zoveel mogelijk verschillende dingen te doen. Wat ik nu doe is heel intentioneel, maar waar ik mee bezig ben met de dansers bij Connie Jansen is meer dansant. Het is interessant om die twee werelden steeds met elkaar te combineren. Daar wil ik de komende drie jaar mee bezig zijn. Na een jaar of vijf, zes, zou ik wel een klein gezelschap willen hebben. Het lijkt me fantastisch om met mijn familie, mijn dansers, mijn componist, mijn groep, voorstellingen te maken. Niet alleen binnen Nederland, maar ook over de grens. Dans is tenslotte een internationale taal. Laten we het hopen!’
Tags: HDF2012, Holland Dance Festival, Iris Blaak, Jasper van Luijk, Korzo Producties
Posted in Interview, Theater | No Comments »
maandag, februari 20th, 2012
Hij is een ster op het toneel, maar voelt zich gelukkiger als ontwerper van een eigen wereld. Na een succesvolle danscarrière bij het Nationale Ballet en het Nederlands Dans Theater 2 kiest Joeri Dubbe voor een leven als choreograaf. In coproductie met Theater Korzo realiseert hij zijn laatste voorstelling Chrono (2011) die werd geselecteerd voor de Blind Date februari tour. ‘Joeri Dubbe’s talent is in deze voorstelling ontpopt,’ zo stelt de Blind Date selectiecommissie. Chrono verbeeldt de invloed van technologie op ons leven. Het is een kritische voorstelling, maar niet naar iedereen.
Chrono gaat over de relatie tussen mens en technologie. Hoe zou je deze relatie omschrijven?
“Ik ben 27 en opgegroeid vlak voor of aan het begin van de internetrevolutie. Het is interessant om de ongelofelijke technologische sprong naar het heden te zien, waarin social media als Facebook en YouTube een belangrijke rol spelen. Wat doet het met onze communicatie en met onze omgeving? Weerhoudt het ons ervan om bij elkaar te komen? Ik ben niet pessimistisch over technologische ontwikkelingen, zolang we ons hoofd er maar bij houden. We moeten een balans vinden en ons blijven herinneren dat we uit de natuur komen. Maak een keer een boswandeling, dat is ook goed voor je!”
Welke rol speelt de versnelling van technologische ontwikkelingen voor jou als choreograaf?
“Technologische ontwikkelingen beschouw ik als hulpmiddel om mijn fantasiewereld met mensen te kunnen delen. Van jongs af aan ben ik al met computers bezig geweest in de zin van programma’tjes maken. Nu DJ ik ook, en dat combineer ik met elkaar. In Chrono uitten technologieën zich in een kubusinstallatie van licht en geluid. De installatie staat in contrast met het natuurlijke lichaam dat emoties weergeeft, maar in het begin van de voorstelling probeer ik die zoveel mogelijk te beperken. Met behulp van de kostuums en door de bewegingen krijg je het gevoel dat je in een klein hokje zit opgesloten.”
In 2009 ben je officieel begonnen als choreograaf; daarvoor stond je als danser in de schijnwerpers. Wat heeft je doen besluiten tot deze koerswisseling?
“Als danser heb ik een succesvolle carrière gehad, maar zelf ben ik nooit blij geweest. Ik wilde al choreograferen sinds ik op school zat, maar mijn onzekerheid stond in de weg. Als choreograaf ben ik heel zeker maar als danser heel onzeker. Toen ik bij het Nationaal Ballet en Nederlands Dans Theater 2 danste kwam het er niet uit, maar toen ik als freelancer begon had ik eindelijk de vrijheid om mijn eigen ideeën tot uiting te brengen. Op een gegeven moment borrelde het, en toen dacht ik: ‘Kom op Joeri hup, nu een keertje doen’.”
Op welke manier heeft het werken als choreograaf jouw kijk op het leven veranderd?
“Omdat ik nu doe wat ik zelf wil ben ik veel gelukkiger in het dagelijks leven. Ik leef meer in het nu, en dat is fantastisch. Mijn team en ik hebben een goede atmosfeer gecreëerd. Als iets niet goed gaat dan voelen mijn dansers zich daar oprecht rot over, en willen ze het beter doen. Ik voel de support van mijn dansers en dat is echt heel tof.”
“Het is een groot verschil met de gezelschappen waar ik voor heb gedanst. Ik kan er niet tegen als mensen zich boven mij plaatsen, dat doe ik zelf ook niet als ik bijvoorbeeld werk met studenten. Ik plaats mijzelf altijd op hetzelfde level en probeer altijd van anderen te leren. Natuurlijk moet je soms werken in een bepaald systeem, maar dan probeer ik in dat systeem een zekere vrijheid te vinden.”
Afgelopen oktober ontving je de Prijs Nederlandse Dansdagen 2011. Wat betekent dit voor jou en voor je carrière?
“De prijs komt van pas voor een van mijn dromen die ik wil realiseren: een installatie waarbij het menselijk lichaam in een muziekinstrument verandert. Van Fonds 18 18 – waar ik door ben naar de volgende ronde voor de Prijs van de Komeet – hoor ik vandaag of mijn aanvraag is goedgekeurd. De Prijs Nederlandse Dansdagen heeft me een boost gegeven om mijn eigen ding verder te gaan ontwikkelen. Het is heel veel werk, maar qua gevoel is het geweldig.”
Wat vind je van de Blind Date tour?
“Hopelijk winnen we de prijs! Toen ik hoorde dat mijn werk was uitgekozen voor Blind Date was ik heel enthousiast. Het is fantastisch om te merken dat mensen erin geloven en willen dat meer mensen het zien. We krijgen veel positieve reacties, en trekken nu ook een ander soort publiek. Mensen kopen de Blind Date kaartenserie en dat is een heel divers programma. In Groningen sprak ik een bezoeker die nog nooit naar dans was geweest. Hij vond de eerste vijf minuten van de voorstelling moeilijk, maar werd er daarna helemaal in opgezogen. Nu wil hij vaker dans gaan zien.”
Tags: Blind Date, Blind Date tour, Chrono, Interview, Iris Blaak, Joeri Dubbe, Theater, TIN
Posted in Interview, Theater | No Comments »