Archive for the ‘Interview’ Category

« Older Entries |

Papa Adama: “Wat is kunst als het niet wordt aanschouwd?”

zaterdag, februari 4th, 2012

In 2009 zette kunstenaar Papa Adama (1980) naast de ingang van dierentuin Artis zijn ‘mini’-Zoo neer. Adama had tijdens zijn periode aan de Rijksakademie een veelvoud aan sculpturen vervaardigd en wilde dat ze zouden worden gezien door de buitenwereld. Want, zo zegt hij zelf: “Wat is kunst als het niet wordt aanschouwd?” Hoewel dit tuintje niets nieuws is, werd het toch tijd om een beetje extra aandacht aan deze bijzondere plek en de kunstenaar te besteden. In de chaos van het dagelijks leven is het namelijk makkelijk mooie openbare kunst te passeren zonder erbij te stil te staan. CultuurBewust.nl sprak met Papa Adama over zijn Zoo’tje, zijn achtergrond en de ideeën achter zijn kunst.

Mix
Adama is een excentriek figuur. Hij is even kleurrijk en ongepolijst als zijn kunstwerken. De nu in Amsterdam wonende kunstenaar groeide op in Burkina Faso waar hij vanaf zijn zestiende als autodidact zijn sculpturen en doeken maakte. Toen hij in 2003 naar Nederland kwam om hier zijn kunst te tonen werd dat meer dan goed ontvangen. Hij werd toegelaten aan de Gerrit Rietveld Academie en De Rijksakademie van beeldende kunsten en rondde beiden succesvol af. Op de vraag hoe zijn komst naar Nederland zijn kunst heeft veranderd, vertelt Adama dat zijn kunst niet zozeer is veranderd maar dat hij nieuwe dilemma’s in zijn kunst verwerkt. Hij is zich gaan afvragen wat Afrikaanse kunst nu eigenlijk is, wat Europese kunst is en hoe deze twee zich tot elkaar verhouden. “Ik wil in mijn kunst de mix tussen ‘zwart’ en ‘wit’ naar voren brengen.”

Kunst naar het leven
De beeldengroep naast Artis bestaat uit De Marktvrouw (2008), De Dinosaurus (2007), De Muzikant (2008) en De Kangoeroe met Baby (2008). De beelden zijn manshoog en het zijn allemaal karakteristieke, unieke figuren. Ze zijn gemaakt van robuust staal en zien er na drie jaar in de openlucht wat doorleefd uit, op een goede manier. Het laat zien dat de beelden bij de plek horen en onderdeel zijn geworden van de stad. Ondanks de typisch Nederlandse setting, roepen de beelden een Afrikaans gevoel op. Adama legt uit dat de inspiratie voor de beelden voor een deel van Antikiti komt, dit is een traditionele Afrikaanse kunstvorm. Daarnaast heeft hij in de beelden verwerkt wat hij in het dagelijks leven ziet en wat er in zijn hoofd omgaat. “Ik maak kunst naar het leven. Zolang ik dingen meemaak zal ik kunst blijven maken.” Hij wil met de beelden niet zozeer een boodschap uitdragen maar meer met de buitenwereld delen hoe hij de wereld ziet. Adama heeft de beelden los van elkaar vervaardigd waarna ze vervolgens per ‘toeval’ een mooie groep vormden.

Op de vraag waarom Adama per se deze plek heeft uitgekozen voor zijn beelden antwoordt hij: “De ezel stond er al en mijn sculpturen pasten daar perfect bij.” Met ‘de ezel’ doelt Adama op het houten bouwwerk dat middenin het tuintje staat. Adama heeft zijn beelden hier omheen geplaatst. Het idee om naast Artis nog een dierentuin in het klein te creëren stond hem aan. “De beelden passen bij de omgeving en het is leuk dat kinderen na een bezoek aan Artis nog even bij De Kangoeroe en De Dinosaurus komen kijken.”

Het stukje grond waar de beelden op staan is eigendom van de dierentuin. Adama had er voor kunnen kiezen om de beelden binnen de poorten van Artis neer te zetten maar besloot dat uit morele overwegingen niet te doen. Binnen de poorten zijn ze namelijk niet meer openbaar. Hij wil dat iedereen naar zijn beelden kan kijken zonder ervoor te hoeven betalen. “Gratis kunst”, noemt hij dit.

Adama’s stempel op de wereld
Papa Adama vindt het belangrijk dat hij met zijn kunst zijn stempel zet op de wereld om hem heen. Waar het menselijke leven vergankelijk is, blijft zijn kunst bestaan. De afgelopen jaren heeft Adama zijn werk in verschillende galeries over het hele land getoond. Wat betreft exposities heeft hij het nu wat rustiger. Adama is momenteel vooral bezig met schilderen, op kleinere doeken dan eerst. Zijn recente werkplek is te klein om nog grote doeken te beschilderen of sculpturen te maken. Het is te hopen dat het hier in de toekomst wel weer van komt. Nog meer van Papa Adama’s bijzondere ‘tuintjes’ zouden Amsterdam niet misstaan.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Interview, Kunst | No Comments »

Anne-Gine Goemans maakt korte metten met de polderroman

donderdag, januari 19th, 2012

De ster van Anne-Gine Goemans is rijzende. Haar debuutroman Ziekzoekers (2007) werd bekroond met de Anton Wachterprijs en samen met haar nieuwe roman Glijvlucht (2011) genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Tijd voor een interview met CultuurBewust.nl over de polderroman, research en de mens.

Glijvlucht is een roman over de jongen Gieles, die dé manier zoekt om zijn moeder thuis te houden. Zij is altijd weg om kinderen in armoede te helpen. Gieles zelf woont met zijn vader, oom en ganzen in de buurt van een landingsbaan, waar zijn oom een spotterscamping runt. Het dorp is ondergedompeld in een dikke laag van kerosine en neerslachtigheid. Alleen Super Waling houdt de moed erin.

Ik wil beginnen met de aanleiding voor het interview: je nominatie voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Met je debuut Ziekzoekers won je al de Anton Wachterprijs. Is het fijn zoveel erkenning te krijgen of legt het veel druk op je schouders?
“Nee, het winnen van de Anton Wachterprijs was heel prettig. Bij zo’n eerste boek weet je nog niet of je bestaansrecht hebt als schrijver. Er verschijnen zoveel boeken, dan weet je niet of het wel goed genoeg is en of dat mensen er wel op zitten te wachten. Het winnen van de prijs was voor mij een stimulans om door te gaan. Ik denk dat wanneer Ziekzoekers niet goed was ontvangen, dat ik niet was doorgegaan.”

In 2007 kwam je met je debuut. Wat was de aanleiding voor een journaliste om te beginnen met het schrijven van een boek?
“Het schrijven van Ziekzoekers had in eerste instantie ook met journalistiek te maken: oorspronkelijk was het bedoeld als een journalistiek verhaal over de oude bollenfamilies in de oude Bollenstreek. Ik kwam in contact met De Geus en die hebben mij gestimuleerd om er een roman van te maken. Na Ziekzoekers dacht ik wel: ik ga door.”

Hoeveel van de ideeën die je hebt, worden uiteindelijk ook echt een boek?
“Het is eigenlijk meteen raak. Ik wist tijdens Ziekzoekers dat ik Glijvlucht ging schrijven en dat het zich ging afspelen bij een landingsbaan; dat de thematiek zou gaan over de verhouding van mensen tot een uitdijende luchthaven stond ook vast. Van mijn derde boek wist ik ook al waar het over zou gaan. Ik neem mijn besluit en dan werk ik dat verder uit. Ik twijfel niet. Er zullen heus obstakels komen, maar ik blijf trouw aan mijn onderwerp. Er zit genoeg in aan research, voor een stevig fundament. Het [red: het derde boek] wordt wel een groot boek, de lat ligt hoog.”
Dus er komt een derde?
“Ja, ik houd niet meer op. Het speelt zich voor een deel af in Indonesië, dat is weer iets heel anders. Ik zag een recensie in het NRC, daar schreef de recensente dat ik een nieuw e stroming, een nieuw genre ‘de polderroman’ had aangeboord. Daar maak ik meteen korte metten mee; met mijn derde boek ga ik ver weg van de polder. Het is niet zoals bij Ziekzoekers en Glijvlucht, wat je oer-Hollandse romans kunt noemen. Ik probeer weer mijn grenzen te verleggen. Ik probeer mezelf te verbeteren per boek.”

Vervolgens hebben we het een tijdje over research. Anne-Gine Goemans vindt dat alles moet kloppen. Hoewel het fictie is, moeten de details juist zijn, daar besteedt ze veel aandacht aan. Zo is  de robotarend uit het boek geen schrijversverzinsel. Ze praatte  ook met  mensen die ‘met hun tuin grenzen’ aan Schiphol:
“Ik wilde ervaren hoe ze daar leven, wie er zijn uitgekocht en waarom er mensen zijn die besluiten te blijven. Deze mensen zijn vaak verbonden met hun geboortegrond, ik ben nieuwsgierig naar hun geschiedenis. Het Haarlemmermeer was ooit een  mooie agrarische gemeenschap, tegenwoordig is dit allemaal weg en ontzettend lelijk. Je ziet  dat mensen nu in de problemen komen, omdat ze geen rekening houden met dit verleden: die ganzen zitten daar niet voor niets.
Dat wil ik laten zien met het boek: je kunt niet zomaar je verleden uitwissen. Ook Super Waling zegt dit de hele tijd. Probeer te kijken naar wat je wel hebt. Wees zuinig op het landschap, als je het volbouwt dan is het weg. Ik vind dat ook, dat lees je tussen de regels door.”

Zitten er veel overeenkomsten tussen Ziekzoekers en Glijvlucht in jouw ogen? Voor mijn gevoel was het zoeken naar erkenning heel aanwezig in beide romans.
“Ja, dat zit er heel erg in. Het zoeken van erkenning, dat je gezien wordt en liefde krijgt. Beide boeken gaan over eenzame mensen die op zoek zijn naar aandacht, ze willen ertoe doen. Het zit eigenlijk in alle personages; ze hunkeren naar aandacht. Het is een thema in mijn werk.”

“Elk mens heeft iets van vroeger, waarvan hij zegt: ‘dat ging helemaal mis’. Die worsteling komt heel erg naar voren. Dat vind ik de schoonheid van het leven. Ik vind mensen heel dapper, ze gaan maar door. Ik verbaas me er altijd over dat ze nooit de handdoek in de ring gooien.”

Het is nog even wachten, maar over een tijdje kunnen we de derde roman van Anne-Gine Goemans verwachten. Ik kijk er in ieder geval naar uit!

Tags: , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Interview, Literatuur | No Comments »

Joachim Robbrecht: “Ik denk dat ik met Oh Polsko! een bestaande nieuwsgierigheid bevredig”

vrijdag, december 30th, 2011

De eerste Blind Date Tour van het nieuwe jaar staat in het teken van de voorstelling Oh Polsko! (2010). Veelbelovend regisseur Joachim Robbrecht liet zich inspireren door een toneeltekst van Jean Genet (De Meiden) en de uitwisseling tussen de Nederlandse en Poolse cultuur. “De voorstelling staat in een serie van voorstellingen die ik maak, waarin ik de confrontatie tussen het vreemde en het vertrouwde ensceneer.” De van oorsprong Belgische regisseur kwam in 2002 naar Nederland, en vertelt in dit interview over zijn eigen ervaringen tussen het vreemde en bekende.

Het zoeken naar identiteit speelt een sleutelrol in je voorstellingen. Waarom spreekt dit onderwerp jou aan?
“Rond mijn twintigste ben ik uit België weggegaan en heb ik een tijdje in Wenen, in Berlijn en vervolgens in Amsterdam gewoond. Die jaren waren vol van gesprekken over cultuurverschillen tussen landen. Nog niet zo lang geleden stond het thema identiteit ook hoog op de politieke agenda in Nederland. De Nederlandse identiteit verkeerde zogenaamd in crisis. Ik vind dat eerst de vraag moet gesteld worden: Is er wel zoiets als identiteit? Wat is identiteit dan? Bestaat er zoiets als een nationale identiteit? Hoe veranderlijk is die, en wat is het belang van die identiteit?”

In 2002 ben je vanuit België naar Nederland gekomen. Vanwaar deze emigratie?
“Ik kwam naar Amsterdam uit nieuwsgierigheid. Over het Nederlandse theater wist ik letterlijk niks, maar er was hier een opleiding ‘Regie’ die precies was wat ik wilde. Het ‘verhuizen’ – emigreren – heb ik als activiteit op zich als heel verrijkend ervaren. Het dwingt je tot anders kijken en tot communiceren. Bizar is dat Nederlanders je als Belg over het algemeen niet beschouwen als emigrant of buitenstaander, terwijl je dat wel bent.”

Wat heeft je bewogen om een voorstelling te maken over het huidige Polen?
“De levensomstandigheden voor sommige Polen waren in eigen land tot voor kort uitzichtloos. Blijkbaar zat er niks anders op dan naar het westen te trekken. Mij viel op hoe ambitieus Poolse migranten zijn om de uiterlijke kenmerken van de West-Europese welvaart te bemachtigen. Daarvoor zijn ze bereid om hun hele ‘zijn’ op de weegschaal te leggen. Die daad van zelfverloochening leidt tot absurde, tragikomische taferelen die wij in het dagelijkse leven niet schijnen waar te nemen. Vandaar dat ik er een voorstelling over moest maken.”

Oh Polsko! is gebaseerd op een toneelbewerking van De Meiden van Jean Genet. Waarom heeft deze tekst je geïnspireerd?
“Het verhaal van de relatie tussen ons en de Polen heeft heel veel weg van het verhaal dat zich tussen de meiden en madame afspeelt in Genets toneelstuk. In De Meiden gaat het over de onmacht van twee bedienende dames die hun werkgeefster adoreren, maar tegelijkertijd een moord op haar beramen, omdat ze haar niet kunnen zijn. In mijn stuk leggen we allerlei relaties tussen het levensverhaal van twee Poolse seizoensarbeiders en dat stuk van Genet. Het bizarre is dat het verhaal van de Polen het publiek toegang geeft tot het verhaal van de meiden in Genets tekst en omgekeerd!”

Je hebt ervoor gekozen om samen te werken met de Poolse seizoensarbeiders Cezary Tomaszewski en Agata Winska. Hoe is die samenwerking?
“Werken met hen was een hele reis door Polen, door de Poolse geschiedenis, de Poolse mentaliteit en de ziel. Het werkproces ging vooral over het ontdekken waarin onze werelden overlappen en verschillen. We hebben geprobeerd te achterhalen wat de vooroordelen zijn en welke clichés wel of niet bestaan.We spelen in de voorstelling veel met leugens, waarheden en gevoelige plekken. Het bijproduct van zo’n werk is dat je er met een andere identiteit uit komt.”

Wat heeft deze samenwerking je opgeleverd voor de toekomst?
“Ik heb vóór Oh Polsko! een voorstelling gemaakt met Japanners, en nu dus met de Polen. Die twee voorstellingen hebben ertoe geleid dat ik in juni de Charlotte Köhler-aanmoedigingsprijs heb gekregen. Ook heb ik dankzij die voorstellingen artistiek kunnen ervaren wat het oplevert om in andere talen en vanuit andere theatertradities te werken. Dat moedigt aan om dat gebied verder te ontginnen. In Oh Polsko! hebben we door het combineren van repertoiretekst met documentairemateriaal een bijna een nieuwe vertelstijl uitgevonden en dat ga ik zeker gebruiken in toekomstig werk.”

Wat betekent deze Blind Date tour voor jouw carrière?
“Blind Date is voor mijn carrière voornamelijk van belang om het contact met het publiek. Als het lukt om harten te veroveren dan bouw je publiek op en willen mensen daarna nog meer van je zien. Ik denk dat ik met Oh Polsko! een bestaande nieuwsgierigheid bevredig. Deze tour is belangrijk om te kijken of dat vermoeden ook daadwerkelijk klopt.”

Tags: , , , , , , , ,
Posted in Interview, Theater | No Comments »

Willemijn van Drunen en Femke Hameetman: “Als je openstaat voor cultuur hoef je niet een bepaalde taal te spreken om je daar in thuis te voelen”

zaterdag, december 24th, 2011

Veel mensen denken dat kunst moeilijk is en dat tentoonstellingen ontoegankelijk  zijn; niet als het aan museumLAB ligt. Zij vinden dat musea zich juist ondernemend op kunnen stellen en een groot en divers publiek aan kunnen spreken.

museumLAB bestaat uit Femke Hameetman en Willemijn van Drunen, twee geboren ondernemers. Ze maken leuke dingen voor leuke mensen, zoals de tentoonstelling Hello Kitty, Hello Holland in het Sieboldhuis in Leiden en de productie van de voorrondes van de ZomerExpo 2011 en 2012. Die leuke dingen kunnen ook boeken of filmproducties zijn die ze uitvoeren voor verschillende opdrachtgevers. Ze worden daarin ondersteund door een netwerk van onafhankelijke museumprofessionals. Met hun projecten hebben ze meerdere malen de landelijke pers gehaald, onlangs nog een interview in nrc.next. CultuurBewust.nl reisde af naar Voorschoten, waar het kantoor gevestigd is en sprak de dames van museumLAB voor een verdere toelichting.

Hoe is museumLAB ontstaan?
Willemijn: “In de culturele wereld zien we graag dat musea ondernemend zijn en dat zijn we zelf ook. We hebben allebei bij de Kunsthal gewerkt, een voorbeeld van een plek die op een ondernemende manier bezig is. Zij zijn heel erg afhankelijk van de kaartverkoop en krijgen alleen een kleine gemeentelijke subsidie. We hebben daar gezien hoe je met verschillende partners projecten kan uitzetten. Dat kan op veel meer plekken.”
Femke: “We willen ook een breed publiek bereiken. Er worden prachtige tentoonstellingen gemaakt voor een klein publiek. Wij vinden het leuk om iets te maken voor een breed en ook een nieuw publiek.”

Jullie maken veel gebruik van sociale media. Is dat om zo’n breed, nieuw publiek aan te spreken?
Femke: ”Sommige onderwerpen lenen zich er voor om via sociale media hun boodschap over te brengen zoals de Hipstamatic tentoonstelling.”
Willemijn: “We gebruiken sociale media niet alleen om het publiek te bereiken maar ook om van het publiek te ontvangen en te zien wat er speelt. En ook gewoon omdat we het leuk vinden. We zijn begonnen met sociale media uit nieuwsgierigheid.”

Welke projecten waren hoogtepunten?
Willemijn: “Ik ben heel trots op Hipstamatic, dat is wel een hoogtepunt. We hebben dat  project helemaal van A tot Z bedacht, het is helemaal ons ding. We hebben het bedacht, gepitched bij een museum en toen konden we het gaan maken. De tentoonstelling was eerst te zien in de Kunsthal in Rotterdam en daarna bij de Dutch Design Week in Eindhoven. We hebben er dus een groot publiek mee weten te bereiken.”

Wat inspireert jullie bij het maken van zo’n tentoonstelling?
Willemijn: “Mensen. We ontdekken gaandeweg steeds meer dat mensen de kern zijn van dingen die we doen. We kijken wat mensen bezighoudt en wat ze leuk vinden. Een tentoonstelling maken is een verhaal vertellen. Wij redeneren vanuit wat mensen willen zien en gaan dan aan de slag met de inhoud.” Femke: “Ik krijg ook inspiratie uit mensen, maar ook door net buiten mijn vakgebied te treden. Ik ben net naar de LeWeb conferentie geweest in Parijs, de grootste conferentie in Europa over de rol van internet. Dat geeft een nieuwe stroom ideeën die ik soms een-op-een kan vertalen naar mijn werk.”

Welke projecten staan er nu nog op de planning?
Willemijn: “Het thema van de Rotterdamse museumnacht is dit jaar ‘SMAAK’. Tijdens de nacht gaan we een workshop over en eigenlijk met Bob Ross organiseren. Een imitator zal met de deelnemers aan de slag gaan. We vinden het leuk om iets met Bob Ross te doen, hij heeft natuurlijk alles te maken met smaak. Sommige mensen vinden zijn schilderijen fantastisch en andere mensen vinden het heel erg kitsch.”

Wat willen jullie in de toekomst nog bereiken met museumLAB?
Femke: “In brede zin willen we dat meer mensen gaan genieten van cultuur en dat musea zich bewust zijn dat ze meer mensen kunnen bereiken met hoe ze als gastheer zijn en hoe ze programmeren. Wat we zelf nog zouden willen realiseren is een boek over hoe je als volwassene met kinderen over kunst kan praten. Gezinnen kunnen ook naar de Efteling gaan, maar het is ook heel leuk als je lol kunt hebben in een museum.”
Willemijn: “Mensen vinden praten over kunst best wel eng, maar dat hoeft niet.”
Femke: “Als je openstaat voor cultuur hoef je niet een bepaalde taal te spreken om je daar in thuis te voelen. Je kan je trainen om beter te kijken door veel naar toneel te gaan of naar beelden te kijken, maar dat is ook iets wat je in je hele leven kan gebruiken. Als je naar een archeologisch museum gaat hoef je niet alles over archeologie te weten. Je moet alleen geïnteresseerd zijn en samen willen beleven en er samen over willen praten.”

Tags: , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Interview, Kunst | No Comments »

Rinus Sprong: “Als niemand erin gelooft, dan moeten we het zelf doen”

dinsdag, december 20th, 2011

Vorig jaar trokken ze volle zalen, en ook dit jaar staat De Dutch Don’t Dance Division weer op het podium met de kerstproductie Abdallah. Van 25 tot en met 28 december is deze productie te zien in het Lucent Danstheater in Den Haag. De voorbereidingen zijn in volle gang. Tussen de repetities door sprak CultuurBewust.nl met Rinus Sprong, choreograaf en artistiek directeur van het gezelschap.

De meeste mensen kennen je als choreograaf van The Ultimate Dance Battle, maar je hebt natuurlijk nog veel meer gedaan. Kun je daar iets over vertellen?
“In 1981 ben ik begonnen als danser van het Nederlands Dans Theater Junior, tegenwoordig het Nederlands Dans Theater 2. Daarna ben ik naar Frankrijk gegaan. Eenmaal terug in Nederland heb ik bij Introdans en het Scapino Ballet gedanst en daarnaast heb ik nog veel projecten gedaan. Ik heb ook tien jaar lang in Amerika als gastdanser gewerkt. Toen ik weer terug kwam uit Amerika heb ik opnieuw bij het Scapino Ballet gedanst, en daarna nog een periode in Israël. In 1996 heb ik samen met Thom Stuart de Dutch Don’t Dance Division opgericht.”

Waarmee onderscheidt de Dutch Don’t Dance Division zich van andere dansgezelschappen?
“Het onderscheidt zich doordat wij geen vaste dansers in dienst hebben. Per project huren we dansers in. Wij werken met zowel professionele dansers als amateurs. We waren ook de eerste in Nederland die dat deden. Het idee om een voorstelling te doen waarbij amateurs en professionals samen op het podium stonden, heb ik achttien jaar geleden al uitgeschreven. In Amerika, waar ik tien jaar lang in de Notenkraker heb gedanst, kwam het regelmatig voor dat er naast professionals ook ouderen en kinderen meespeelden. Maar niemand geloofde in mijn idee. Mensen vertelde mij dat zoiets niet mogelijk was in Nederland. Ik dacht: Als niemand erin gelooft, dan moeten we het zelf doen. Inmiddels zijn er veel meer van dit soort projecten gekomen. Dat vind ik wel heel bijzonder. Iets anders waarmee we ons onderscheiden is dat niet al onze projecten gericht zijn op dans. We werken ook samen met visuele artiesten, musici en acteurs.”

Na vier edities van de Notenkraker te hebben opgevoerd, dansen jullie sinds vorig jaar een nieuwe kerstproductie: Abdallah en de gazelle van Basra. Waarom hebben jullie juist voor dit ballet gekozen?
“We zagen dit ballet vier jaar geleden voor het eerst in Denemarken. Het is dan ook een origineel Deens ballet. Het is een ballet met mooie muziek en een leuk verhaal over hoop, liefde en vergevingsgezindheid. Er zitten veel straatscènes in dit ballet waardoor we ook veel gebruik kunnen maken van kinderen en ouderen.”

Je werkt dus met zowel professionele dansers als amateurs. Vraagt dit om een andere aanpak dan wanneer je alleen met professionals werkt?
“Dat denk ik wel. Amateurs, en dan vooral de jonge kinderen, moet je uitleggen hoe het vak werkt. Dansen is echt een vak. Je doet het niet één keertje en dan kan je het. Als je echt iets goeds wilt presteren, dan gaat daar veel tijd en moeite in zitten. Je bent drie maanden bezig met repeteren en je lichaam leren kennen. Dat moet je duidelijk uitleggen. Met professionals heb je dat niet, die weten hoe het werkt. Het is dus zeker anders om met amateurs te werken. Maar ik vind het wel heel belangrijk om jonge mensen te laten zien wat voor vak dit is. Dat het een prachtig vak is, maar ook hard werken.”

Wat kunnen we in de toekomst nog verwachten van De Dutch Don’t Dance Division?
“Er staan verschillende projecten in de planning. We hebben een project voor het Festival Classique, waar we heel blij mee zijn. Het wordt een grote dansvoorstelling met een orkest erbij. Maar we hebben bijvoorbeeld ook Solo’s at the Sea, wat juist weer heel klein is. Bij Solo’s at the Sea kunnen jonge dansers, choreografen, acteurs en musici zich inschrijven om een solo uit te voeren. En natuurlijk hebben we dit jaar ook weer onze zomercursus. Dit is een cursus van twee weken waar amateurs, vakstudenten en professionele dansers aan mee kunnen doen. Dus we blijven lekker bezig!”

Tags: , , , , , , , ,
Posted in Highlight, Interview, Theater | No Comments »

Sieta Keizer: “De Winnaar begint pas na het ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’”

donderdag, december 15th, 2011

Aan de Noordelijke IJ-oever, te midden van een groeiend aantal culturele instellingen, is M-Lab (laboratorium voor muziektheater) gevestigd. “Het uitzicht werkt enorm inspirerend,” vertelt Sieta Keizer, artistiek leider en tevens regisseur van De Winnaar, terwijl ze wijst op een ondoordringbare mist die vandaag het IJ en de skyline van Amsterdam volledig aan het zicht onttrekken.

Sinds afgelopen juni is Sieta artistiek leider van M-Lab, en de voorstelling die momenteel in de maak is, De Winnaar, is haar eerste regieproject in deze hoedanigheid. Zij houdt een vlammend betoog over het belang van M-Lab, het sociaal engagement van De Winnaar en de inspirerende samenwerking met hoofdrolspeler Jamai Loman (winnaar van de eerste Idols-reeks en daarmee ervaringsdeskundige op het gebied van ‘de zuigende kracht’ van tv-talentenjachten)

M-Lab als luis in de pels van grote muziektheaterproducenten
Voorheen werkte Sieta bij een aantal grote muziektheaterproducenten waar zij onder andere de casting voor haar rekening nam. Haar overstap van deze ‘schijnwerper’-wereld naar de luwte van M-Lab is dan ook opmerkelijk. Zelf ziet zij dit als een terugkeer naar de basis: “M-Lab is een podium voor talent- en productontwikkeling. Vanuit deze laboratoriumfunctie wordt uitgeprobeerd of een idee gestalte kan krijgen, bestaansrecht heeft, over het voetlicht komt. Als een soort luis in de pels van de grote muziektheaterproducenten vormt M-Lab de tegenhanger van het grote musicalgeweld.”

Waar de grote producent afhankelijk is van factoren als kijkcijfers en overheadkosten en derhalve ‘veilig’ programmeert, fungeert M-Lab dikwijls als springplank voor kleine en/of buitenlandse titels die, vertelt Sieta, soms uitgroeien tot pareltjes. “Het is natuurlijk fantastisch als een productie een vlucht neemt, opgenomen wordt in een serie of zelfs internationaal gaat, maar bij M-Lab kunnen we echt beginnen bij het idee.”

Coming of age in een snelkookpan
Bij De Winnaar is Sieta inderdaad begonnen met een idee waar zij al tijden mee rondliep. “Ik ben gefascineerd door tv-talentenjachten en het principe van instant fame, van het gekatapulteerd worden. We gaan en masse op in het feit dat er ineens een ster op het podium staat, in het sprookje. Maar voor de winnaar begint het pas echt na het ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Het is heel hard werken. En het gaat erom in een extreme situatie, de wereld van de showbizz, trouw aan jezelf te moeten blijven.”

Het valt niet mee om als puberjongen met de bijbehorende romantische hang naar roem stevig in je schoenen te blijven staan als iedereen plotseling iets van je wil en jij zelf nog helemaal niet weet wie je bent. “Je gaat mee in de roes. Het is zo’n zuigende kracht: de schijnwerpers, de aandacht, de adrenaline.”

Volgens Sieta wordt de mens meer en meer ingezet als merk, terwijl tegelijkertijd de zogenaamde authenticiteit van de kandidaat enorm gehyped wordt. De Winnaar vertelt het coming of age-verhaal van de persoon achter het merk ‘The Real Emile’. “Ik vind het juist interessant om, zonder het vingertje, het ‘andere plaatje’ te schetsen, dat van de jonge jongen die zichzelf zoekt en op een gegeven moment een beetje vindt en dan weer verdergaat. Dat zijn de mooie verhalen, vind ik.”

Wie manipuleert wie?
Deze twee krachten – de menselijke behoefte om het sprookje (mee) te beleven en de media die daar handig op inspelen tegenover de snelheid van onze maatschappij – wil de regisseuse beide in haar voorstelling verwerken. De media, de artiest, en de toeschouwer; zij lijken een bijna symbiotische relatie met elkaar aan te gaan in dergelijke mediaspektakels. Op de vraag wie nu wie manipuleert, antwoordt Sieta geheimzinnig: “Alles wordt in feite gemanipuleerd. We zien bij talentenjachten dat het publiek een steeds grotere rol krijgt. Wat het publiek zegt is waar.”

In De Winnaar zal het interactieve aspect tussen artiest en toeschouwer een essentiële rol krijgen. Voorafgaand aan de voorstelling wordt men in staat gesteld Facebook-vrienden met (het personage) Emile te worden en ook binnen het stuk zal een aantal momenten gecreëerd worden waarop het publiek besluit in hoeverre ze Emile blijven volgen. Op de vraag of het publiek daarmee uiteindelijk toch de touwtjes in handen heeft, luidt het antwoord: “Dat is dus de discussie achteraf: wie manipuleert nou wie?”

De Winnaar is te zien in Theater M-Lab van 17 december 2011 t/m 8 januari 2012. Voor meer informatie, zie www.m-lab.nl

Tags: , , , , , , , ,
Posted in Interview, Theater | No Comments »

Maarten Overdijk: “Afwezigheid is een sterke trigger voor de mentale constructie.”

woensdag, december 7th, 2011

De Nederlandse kunstenaar Maarten Overdijk (1977) heeft op dit moment zijn eerste solotentoonstelling bij Jeanine Hofland Contemporary Art in Amsterdam. Overdijk werd in 2009 dankzij zijn schilderijen op de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam aangenomen. Tijdens zijn residency is hij overgestapt van schilderkunst naar installatiekunst. In de tentoonstelling Inverse Archaeology is een installatie te zien met driedimensionale witte achthoeken, schilderijen met transparante dragers en witte zuilen van gips. CultuurBewust.nl sprak met hem over zijn werkwijze en zijn ideeën.

Hoe verklaar je de overgang van schilderkunst naar installatie?
“De veranderingen vallen samen met mijn achtergrond. Ik heb voor de Rijksakademie nooit een kunstacademie gedaan. Mijn achtergrond ligt in de wetenschap, in de psychologie. Toen ik me full time op mijn beeldende werk ging richten, merkte ik dat het schildersmedium – zoals ik het gebruikte – mij beperkte in de ideeën en problemen die ik eigenlijk wilde behandelen. Daarnaast was de Rijksakademie dé plek om in aanraking te komen met advisors (bekende kunstenaars die kunstenaars op de Rijksakademie begeleiden – red.) en andere residents die je stimuleren om te experimenteren.”

Kan je daar een voorbeeld van geven?
“Op de Rijksakademie ben ik begonnen met het experimenteren met transparante dragers. De Rijksakademie staat bekend om zijn technische werkplaatsen waar veel expertise is. Als schilder kom je snel bij het verflab terecht, wat een soort scheikundelab is. Veel kunstenaars experimenteren met allerlei chemische stoffen, van polyester tot spuitlak. Via het verflab kwam ik dan ook bij de transparante polyesterfolie terecht.”

In de tentoonstelling hebben de spieramen inderdaad geen canvas, maar een transparante drager. Wat vind je daar zo interessant aan?
“Wat ik interessant vond is om het schilderij als het ware te destabiliseren, wat je in feite krijgt als je er een transparante drager op zet. Het is dan niet meer een plat vlak aan de muur, maar je ziet de muur zelf ook. Je kunt door het werk in de ruimte kijken, een soort ‘verruimtelijking’ dus.”

Wat is het uitgangspunt van je eerste solotentoonstelling Inverse Archaeology?
“Het uitgangspunt in de tentoonstelling is een ‘relationele’ benadering van de menselijke waarneming: het werk komt tot stand in de ervaring van de toeschouwer. Het gaat in de tentoonstelling niet om de objecten an sich, maar om de relatie die ontstaat tussen de objecten en de toeschouwer. Het werk wordt als het ware geactiveerd door de toeschouwer, door middel van een mentale constructie. De ideeën over mentale en fysieke constructie komen vanuit mijn achtergrond in de psychologie. De Russische theoreticus Ivan Chtcheglov beschreef het volgende psychologisch principe: op het moment dat je een bepaald interieur binnenloopt neem je de vaas die in de hoek staat niet direct op een bewuste manier op. Als je vervolgens terugkomt in die zelfde kamer en de vaas is weggehaald, dan wordt de afwezigheid van de vaas een aanwezigheid die je kunt voelen. Ik vond dat heel helder beschreven. Afwezigheid is een sterke trigger voor de mentale constructie.”

Wat bedoel je precies met ‘mentale constructie’?
“Toen ik 14 of 15 jaar was kwam ik in aanraking met het boek De Geheugenkunst van Francis Yates. Dat ging over hoe redenaren in de Griekse en Romeinse tijd bepaalde speeches onthielden. Dat deden ze door zich een gebouw mentaal voor te stellen om vervolgens met behulp van bepaalde strategisch geplaatste symbolen een wandeling door het gebouw van hun geheugen te maken. Ik vond de gedachte van het internaliseren van een gebouw toen al heel fascinerend. In de zeventiende eeuw werden die geheugentraktaten nog steeds gebruikt en gingen mensen die geheugengebouwen zelfs weer externaliseren door ze concreet te bouwen. De gebouwen zelf zijn helaas niet bewaard gebleven, maar het idee stond wel model voor de bouw van Shakespeare’s Rose Theatre. Het bouwen van een geheugentheater doet de grens tussen interieur en exterieur vervagen. Het fysieke is het mentale geworden en het mentale wordt geprojecteerd op de fysieke ruimte. Een soort mentale architectuur dus.”

Tags: , , , , , , , , , ,
Posted in Interview, Kunst | No Comments »

Tijl Beckand: “Klassieke muziek is niet oud, dat is een grote misvatting”

dinsdag, december 6th, 2011

Een ex-Lama die een tv-programma maakt over klassieke muziek, maakt nieuwsgierig. De Tiende van Tijl was een succes en 17 december neemt hij dat succes mee de concertzaal in. Dan staat Tijl Beckand met het Residentie Orkest in het Atrium Stadhuis in Den Haag met een klassiek programma, getiteld: Durf te Dromen! CultuurBewust.nl sprak met hem over het succes van zijn programma, zijn liefde voor klassieke muziek en over dromen.

Wat is de motivatie achter je missie om klassieke muziek meer onder de aandacht te krijgen?
“De hoofdreden is dat klassieke muziek prachtig is en alle mensen zouden dat in hun leven moeten hebben. Muziek geeft een waarde aan je leven en het is toegankelijk. Je hoeft niets anders te doen dan luisteren en dat kan overal, je moet gewoon beginnen en het allemaal niet te ingewikkeld maken. Jamie Oliver wil bijvoorbeeld gewoon dat mensen wat bewuster bezig zijn met eten en dat wil niet zeggen dat ze allemaal sterrenkoks moeten worden. Zo zie ik dat ook met klassieke muziek.”

Is dat waarom je een vleugje humor gebruikt bij De Tiende van Tijl?
“Volgens mij doe ik het nog wel redelijk sek. Het gaat me echt om de muziek en de verhalen en daar zit af en toe een kwinkslag bij. Het is een serieus programma met een komische noot. Ik heb natuurlijk enorm naam gemaakt met De Lama’s en heel veel mensen waren benieuwd naar een ex-Lama die een programma maakt over klassieke muziek. Ik hoop daarbij mensen aan te hebben gespoord om eens op zoek te gaan naar klassieke muziek.”

Is muziek voor jouw een zoektocht?
“Ja, zeker nu. Voor ik begon met De Tiende van Tijl luisterde ik alles vrijblijvend. Nu heb ik sterk het gevoel dat ik een verantwoordelijkheid draag, want wat ik laat horen is van grote invloed. Je moet je keuzes dan wel goed maken. Ik probeer het programma zo samen te stellen dat het afwisseling heeft, zoals het opdienen van een maaltijd; zware gangen en zware wijnen afgewisseld met een tussengangetje en een klein sprankelend wijntje.”

Op 17 december geef je in Den Haag een concert met het Residentie Orkest dat gaat over dromen. Ben je zelf een dromer?
“Jawel, ik droom veel ‘s nachts en dat heb ik van mijn vader. Ik hoop dat mijn dochter dat niet heeft, die kan ook wel eens woelen. Dromen is natuurlijk wat we moeten doen om verder te komen. Je leeft in de realiteit en je moet iets in je hoofd hebben wat niet bestaat en waar je op kunt focussen. Gewoon een plek of een plaats in je leven waar je terecht wilt komen. Dat zijn je dromen en die moet je najagen.”

Durf je te dromen bij klassieke muziek?
“Ja, sterker nog, ik denk dat het heel goed is om je onderbewuste vrij te kunnen laten. We zijn natuurlijk heel erg gewend om strak te leven en muziek masseert een beetje je emoties los die vaak ingekapseld zijn of vast zitten. Muziek kan een balsem zijn om pijn te verzachten, maar ook gedachtes vrijlaten die vastzitten.”

Zit daar de waarde van klassieke muziek, waar je het begin over had?
“Ja, ze zeggen dat muziek dichter bij god staat dan het woord. Het verschil is dat muziek geen taalbarrière heeft. Waar bijvoorbeeld de Mondschein-sonate van Beethoven ook wordt gespeeld, iedereen weet dat het mooi is en als je vooraf zegt dat het maanlicht is, begrijpt iedereen dat. Als je een gedicht van Heinrich Heine neemt en je draagt dat op in het Duits, dan raak je de toehoorder niet. Daarbij komt dat dingen die vroeger heel heftig waren om te zeggen nu niet meer heftig zijn, maar muziek blijft die kracht wel houden. Muziek gaat met de mens mee, het wordt niet oud. Dat is de grootste misvatting over klassieke muziek, dat het oud is.”

Merk je dat er meer mensen gaan luisteren naar klassieke muziek?
“Ja, dat merken ze zelfs bij de platenmaatschappijen. Maar ook bijvoorbeeld op Youtube. Het filmpje van metalzangeres Anneke van Giersbergen die een opera-aria zingt is nu al 520.000 keer bekeken; en Jamai die een aria zong, heeft een aanbod gehad van een platenmaatschappij om een album op te nemen met klassieke aria’s. Ikzelf krijg nog steeds de hele dag mails en tweets van mensen. Dat zijn allemaal kleine speldenprikjes, maar zo gaat dat wel langzaam een bepaalde kant op. Het leeft dus!”

Nieuwsgierig geworden naar 17 december? Bestel hier de kaarten voor slechts € 10,-

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Interview, Muziek | No Comments »

Roué Verveer: “Gewoon even lekker lachen is veel waard”

dinsdag, december 6th, 2011

Naar aanleiding van zijn nieuwe voorstelling In zeer goede staat, sprak CultuurBewust.nl met Roué Verveer over het hiernamaals, de dood en de economische crisis.

In zeer goede staat is je vijfde solovoorstelling. In welke opzichten verschilt deze voorstelling van de vorige?
“Ik ben net bezig met de try-outs, dus het is allemaal nog in prille staat. De inhoud staat wel al vast, maar aan de vorm kan nog heel veel veranderen. Ik denk er nu aan om het geheel wat theatraler te maken en dus misschien wat minder interactie met het publiek te hebben. Maar de try-outs moeten ook nog maar uitwijzen of dat succesvol is.”

Met In zeer goede staat behandel je een aantal pittige onderwerpen, zoals de dood en slavernij. Waarom kies je voor zulke zware onderwerpen?
“Ik kies nooit voor onderwerpen. Ik maak een voorstelling over iets dat me op dat moment bezighoudt. Leven en dood hebben me  al sinds de dood van mijn opa gefascineerd, het is zo’n vreemd fenomeen. Maar het overlijden van Floor van der Wal afgelopen jaar heeft zo’n indruk op me gemaakt, dat je dat misschien wel de directe aanleiding kan noemen. Daarnaast werkte ik afgelopen jaar aan de televisieserie De Slavernij, daaruit haalde ik ook inspiratie.”

Zit er een diepere betekenis verbonden aan stukken over de dood?
“Ja, ik wil wel duidelijk maken dat je nú leeft en dat je er iets van moet maken. Dat je, als het zo ver is, tevreden terug kunt kijken naar de dingen die je hebt gedaan. Daardoor leef je nu wat bewuster.”

Met de dood spreek je ook over het hiernamaals. Hoe denk jij dat het er in het hiernamaals uitziet?
“Ik zie groene weiden voor me en heel veel kleuren. En rust en harmonie en vrede. Eigenlijk precies zoals de Bijbel het beschrijft. Het lijkt me prachtig daar. Ik zou wel eens een kijkje willen nemen.”

De verkoop van de voorstelling In zeer goede staat gaat heel hard, net zoals de verkoop van Caribbean Combo. Heeft Nederland behoefte aan lachen?
“Absoluut, zeker in deze tijd. Iedereen is zo zwaarmoedig over de economie. Toch zal men niet zo snel gaan bezuinigen op cabaret. Misschien dat mensen eerder tien keer per jaar gingen en nu zes keer per jaar, maar ze zullen blijven gaan. Omdat het bijzonder is dat je even twee uur aan geen enkel probleem hoeft te denken, maar gewoon lekker kunt lachen. Je bent even niet bezig met alledaagse dingen. Dat is veel waard.”

Wat is het geheim van het succes van Roué en het Caribbean Combo?
“Dat vraagt iedereen, maar er is geen truc die we toepassen. Alles gaat heel natuurlijk. Dat komt omdat we in het dagelijks leven ook goede vrienden zijn. We staan op het podium als vrienden, niet als collega’s. Je zou bijna kunnen zeggen dat het er hetzelfde aan toegaat als we met z’n allen zitten te eten. Ik denk dat dat de kracht is van Caribbean Combo.”

Je speelt je voorstellingen ook in Suriname. Is er een wezenlijk verschil tussen spelen in Suriname en spelen in Holland?
“Hoewel de voorstelling in grote lijnen hetzelfde is, pas ik de voorstelling wel aan ja. Er zijn nu eenmaal typisch Hollandse grappen en typisch Surinaamse grappen. Grappen die ik in Suriname maak, begrijpt een Hollander niet. Omdat je daarvoor de typische Surinaamse gewoontes en het dagelijks leven daar moet kennen. Maar andersom geldt dat natuurlijk ook. Ik heb geen voorkeur voor het één of het ander, spelen vind ik sowieso leuk, of het nou hier of daar is.”

Wat kunnen we allemaal nog van je verwachten?
“Ik weet het niet. Ik laat alles over me heen komen en gebeuren. Op mijn vijfenvijftigste wil ik terug naar Suriname, dan kan ik daar ook nog wat betekenen voor de mensen. Tot die tijd blijf ik bezig met cabaret. Dat ben ik nog lang niet zat.”

Tags: , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Geen categorie, Interview, Theater | No Comments »

Roy Nieterau: ‘Mac ’n Cheese is ons visitekaartje, onze ijsbreker en ons kindje’

zaterdag, december 3rd, 2011

Na ruim een maand was de film op internet al meer dan een miljoen keer bekeken en op het Nederlands Film Festival wonnen ze de UPC Animatie Prijs. Afgestudeerden van de HKU Roy Nieterau, Tom Hankins, Gijs van Kooten en Guido Puijk zijn voor hun animatiefilm Mac ‘n Cheese nu ook genomineerd voor de HKU Award 2011. CultuurBewust.nl sprak hierover met Roy Nieterau.

Hoe voelt het om genomineerd te zijn?
“We zijn vereerd! We zijn sowieso trots dat we met een animatiefilm zijn genomineerd. Wat wij doen wordt om de een of andere reden niet zo gauw als ‘kunstzinnig’ gezien. Meestal dingen de studenten van andere opleidingen, zoals van de faculteit BKV (beeldende kunst en vormgeving), mee aan de HKU Award. Tof dat wij er dit jaar ook tussen staan.”

Waar gaat Mac ’n Cheese over?
“We laten de kijker 2,5 minuut genieten van een korte, maar intense achtervolging door de Amerikaanse woestijn. De hoofdpersonages doen er van alles aan om elkaar te ontvluchten. Onze werktitel was eigenlijk: ‘Eastwood Junction’, de naam van het dorpje waar het verhaal begint. Toch vonden we Mac ’n Cheese beter, omdat het slaat op het idee van eenvoud. Ons filmpje is daarom ook simpel en makkelijk verteerbaar. Iedereen kan het onthouden.”

Hoe kwamen jullie op het idee voor deze film?
“Een aantal jaar geleden hebben we met elkaar een afspraak gemaakt dat we helemaal los zouden gaan op onze afstudeerfilm. We wilden een niet zo´n serieus filmpje maken die we konden laten afspelen naast de zware films op animatiefestivals. We hebben ons gericht op het internetpubliek, de mensen met de korte spanningsboog. Ons doel was: spannend, lekker snel, lekker kort en met rijke beelden. Mission accomplished!”

Hoe lang zijn jullie ermee bezig geweest?
“We zijn in totaal 4,5 maand bezig geweest om de film te maken. De laatste twee weken voor ons afstuderen hebben we gebruikt om onze film de wereld in te helpen door middel van een website en een trailer. Het resultaat was een film waar we zelf tevreden over waren, maar eigenlijk niet meer konden zien. Toen er in groten getale positief op werd gereageerd, zijn we er zelf weer erg enthousiast van geworden. Ook zijn we met vlag en wimpel geslaagd.”

Wat betekent de film voor jullie persoonlijk?
Mac ’n Cheese is ons visitekaartje, onze ijsbreker en ons kindje. We zijn trots op wat we hebben kunnen bereiken en zien dit als onze stap in de grote, boze wereld. We plukken nog steeds de vruchten van ons succes. Nu maar hopen dat we er ook van kunnen overleven.”

Is dat ook wat jullie willen? Je brood verdienen met films maken?
“Ja. We hopen dat we samen de komende tijd nog meer films kunnen gaan maken. Voor nu gaan we eerst aan commerciële klussen werken, maar als alles wat stabieler is geworden gaan we weer onze eigen producties starten. Binnen een jaar of tien willen we toch echt wel een grote animatiestudio hebben staan. Dan pas kunnen we doen wat we echt willen.”

Wie denk je dat er wint?
“Nederland is toch echt wel een documentaireland. Fictie en animatie blijven toch altijd een beetje achter. Daarom denken we dat Sandra Harkink met haar documentaire Alexandra de meeste kans maakt. Zij heeft een mooie, persoonlijke documentaire gemaakt die waarschijnlijk wel goed zal vallen bij de jury. We zijn er vooral om het publiek een beetje wakker te houden.”

Waarom verdienen jullie de HKU Award?
“We hebben hard gewerkt om dit tot een goed eindresultaat te laten komen. Daarbij hebben we ook de HKU even op de kaart gezet. Internationaal werd de school in een adem genoemd met de grootste scholen in Europa en Amerika. Het winnen van de Award zal dus een leuk bedankje zijn! En Sarah Harkink heeft al een fiks bedrag gewonnen met haar documentaire, dus die 5000 euro kunnen wij toch beter gebruiken!”

Tags: , , , , , , , , , ,
Posted in Film, Interview | No Comments »

« Older Entries |