Origine: De paradox van het leven vermomd in dans
Door: Marjolein Theunissen
De choreografie Origine van Sidi Larbi Cherkaoui is verrassend op heel veel vlakken. Het ingenieuze decor ondersteunt de doordachte passen, handelingen en emoties die worden getoond door vier dansers uit vier verschillende windstreken. Sidi Larbi Cherkaoui wil met Origine het universum en de daarin bestaande basistegenstellingen onderzoeken. Door het samenspel van dans, zang, mime en rekwisieten lukt hem dit op zeer vernieuwende wijze.
Op de klanken van religieuze zang uit onder andere de Christelijke, Arabisch-Byzantijnse en Zweedse traditie stellen vier dansers uit vier verschillende werelddelen de conflicten in dit universum aan de kaak. Vooral de verticale en horizontale bewegingen spelen daarin een grote rol. De energie tussen het hemelse, spirituele en het aardse, materiële is verticaal, terwijl de communicatie tussen mannelijke en vrouwelijke energie zich eerder horizontaal verhoudt. Dit uit zich in de dans soms op abstracte, maar vaker op hele concrete wijze in de bewegingen van de dansers.
Het idee dat de Vlaams-Marokkaanse choreograaf probeert over te brengen komt pas tot uiting na een vrij abstract intro dat eerst synchroon door de vier dansers wordt uitgevoerd, waarop een solo door de Zuid-Afrikaanse Shawn Mothupi volgt. Het mimeachtige spel waarmee Mothupi als alchemist de wereldbol lijkt te kneden waaronder hij tenslotte zal bezwijken, is fascinerend en de zang van Arabische Fadia Tomb El-Hage maakt de voordracht nog mysterieuzer. De wereldbol zal gedurende de voorstelling steeds verder worden onderzocht, waarbij op een aantal thema’s zoals solidariteit, eenzaamheid en immigratie dieper wordt ingegaan.
De voorstelling wordt pas écht interessant als de Japanse Kazutomi Kozuki alle dagelijkse handelingen van de IJslandse Valgerdur Rúnarsdóttir uitbeeldt. Soepel beweegt hij om, onder en over haar heen om niet alleen de autogordel, maar ook haar telefoon, sigaret en oorbel te verbeelden. Dit oogst gegrinnik en verwondering bij het publiek, dat al fluisterend opsomt wat er te zien is. Als dit later nog een keer gebeurt in het huis van danseres Daisy Phillips, die het archetype van de consumerende Amerikaanse huisvrouw voor haar rekening neemt, gaat Kozuki zelfs een stapje verder door bij zijn handelingen ook geluid te produceren.
Het decor speelt in dit geheel een zeer belangrijke en de meest vernieuwende rol. De met wit doek beklede stijger wordt in allerlei omstandigheden gebruikt, maar vooral als uitbeelding van vier kamers. Lampen, luxaflex en een stoel: slechts een klein aantal attributen wordt gebruikt om een echt huiskamergevoel op te roepen. In deze kamers gebeuren dagelijkse dingen, zoals televisie kijken en strijken – met dank aan de Japanse robotica, uitgevoerd door Kozuki. Maar er vinden ook shockerende gebeurtenissen plaats, zoals de zelfkastijding van een Oosterse bedelmonnik.
Het schaduwspel tussen de handelingen voor en achter het doek zijn even fascinerend als de snelheid waarmee de verschillende handelingen elkaar moeiteloos opvolgen. De afwisseling van synchrone dansbewegingen en de verhalende intermezzo’s geeft de gewenste balans tussen de overvloed aan gebaren en sereen samenspel.
De zang, uitgevoerd door de Arabische Fadia Tomb El-Hage en Zweedse Miriam Andersén wordt ondersteund met gitaar en trom door de Bulgaarse Vladimir Ivanoff. Hij heeft als man zijnde niet zomaar een dienende functie toebedeeld gekregen: Cherkaoui heeft er met opzet voor gekozen om de vrouwelijke spirituele beleving te herwaarderen en dus een vooraanstaande rol te geven.
De teksten van de liederen zijn ontleend aan de twaalfde-eeuwse Duitse mystica Hildegard van Bingen, de Iraakse Rabiá van Basra en diverse codices uit de twaalfde tot en met de veertiende eeuw. De mysterieuze klanken versterken het onderzoekende karakter van de choreografie, dat niet alleen qua idee over energieën, maar ook wat betreft herkomst en bagage van de dansers en muzikanten, de hele wereld behelst.
Gepubliceerd op: 20-05-2009








