Wunderbaum eert in Het spookhuis der geschiedenis de kunst van het kermistheater
Door: Bram van Leuveren
Koste wat het kost wil theaterregisseur Loets Loets (een karikaturale rol van Walter Bart) zijn publiek verlichten met intelligent theater en maatschappelijke betrokkenheid. Een paar uur voor de opvoering van zijn geëngageerde opera over hedendaagse rampen, tracht hij de touwtjes wanhopig in handen te houden. Maar de acteurs, verkleed en geschminkt als zombie-achtige clowns, zijn doodop. Samen met twee strijkers uit een Wagnerorkest (Stijn Saveniers en Bo Wiget) proberen ze de voorstelling tevergeefs nog wat kleur te geven. Acteurscollectief Wunderbaum maakt met de muziektheaterproductie Het spookhuis der geschiedenis een scherpzinnige voorstelling-in-een-voorstelling over het (on)vermogen van kunst én de moderne mens.
Gerardjan Rijnders baseerde de toneeltekst voor Het spookhuis der geschiedenis op Thomas Bernhards De Theatermaker uit 1984. Net als het hoofdpersonage uit dat stuk ziet ook de dictatoriale Loets zich geconfronteerd met zijn eigen onvermogen en megalomane dromen. Terwijl hij wacht op het groene licht van de theaterproducenten, sleutelt hij tijdens een repetitie naarstig aan wat het perfecte kunstwerk moet worden.
Kermistheater
Een glimp van dat kunstwerk vangen we op in de tableaux vivants uit Loets’ opera. Deze verbeelden op groteske wijze de canon van de vroege 21ste-eeuwse rampengeschiedenis. Wunderbaum keert daartoe op intrigerende wijze terug naar het theater in zijn meest banale vorm. Het maakt met opzet gebruik van het melodrama uit circusacts en kermisattracties, waardoor de uitbeelding van het menselijk leed vaak pijnlijk dicht tegen de parodie aanschuurt.
Een indrukwekkend en gedurfd voorbeeld daarvan is de verbeelding van 9/11, op muziek van de door de sopraan Lies Vandewege prachtig gezongen ‘Liebestod’ uit Wagners opera Tristan und Isolde (1857-1859). Een als clown geschminkte actrice (Maartje Remmers) hangt ondersteboven aan een trekhaak, terwijl een video op het achterdoek in afwaartse beweging flatetages toont. Ondertussen drukt een beursanalist (Esther Gouarné) zijn gezicht wanhopig tegen een stuk raam aan. In de hitte van de rook kermt hij: “It’s getting hot in here.”
Het is de intrigerende spanning tussen (melodramatische) kunst en realiteit die de impact van de uitgebeelde rampen des te meer inzichtelijk maakt. Achter de toneelkatrollen, de geluidsapparatuur en de goedkope rekwisieten toont Wunderbaum een desolate wereld die, als de Wagnermuziek wordt ingezet en het theaterlicht de wereld op het toneel leven inblaast, voor even zichtbaar wordt. Het is echter slechts een schim, een zweem van de tragiek die ooit heeft plaatsgevonden. Telkens als het zaallicht na een opgevoerd tableau weer aangaat en de afgeleefde acteurs onwennig op de bühne staan, rijst de vraag: wat ís, maar vooral, wat kán theater doen in deze tijd?
Engagement
Die laatste vraag blijft Loets door de voorstelling heen bezighouden. In de met veel (soms nogal flauwe) humor doorspekte monologen, krijgt niet alleen de kunstwereld, maar de hele mensheid er van langs. Kunst mist engagement. De gemiddelde burger leeft lui en passief. Hij geeft zich geen rekenschap van het grotere wereldgebeuren.
Het slot doet uiteindelijk misschien wat lachwekkend aan, maar is wel degelijk passend en inhoudelijk belangrijk. Daar besluit de eenzame Loets radicaal het eigen heft in handen te nemen. Met zijn zelfverkozen bijbel Du musst dein Leben ändern (2008) van filosoof Peter Sloterdijk onder de arm, rent hij letterlijk de wereld tegemoet. Het spookhuis der geschiedenis is niet alleen een absurde en soms tragische kermisattractie, maar ook een scherpzinnige stimulans tot verder nadenken over de plaats van engagement in onze cultuur en kunst.
Gepubliceerd op: 31-08-2012








