Het had een mythe kunnen zijn is een sprankelende odyssee in ochtendjas

Sjef en Luc van Schie in Het had een mythe kunnen zijn door NiznO (foto: Rick Ploeg) Recensie

aug
29

Door:

Op alweer de achtste festivaldag van het Groningse Noorderzon (16 tot en met 26 augustus) bracht het flink aan de weg timmerende theatergezelschap NiznO zijn nieuwste voorstelling Het had een mythe kunnen zijn. Energiek en met een vette knipoog, maar zonder de diepgang te schuwen, zetten de jonge spelers in de voormalige E.M.G. graansilo een geestige en eigentijdse mythe op de planken.

NiznO grijpt in Het had een mythe kunnen zijn, dat het speciaal creëerde voor Noorderzon, terug op eeuwenoude mythische en fantastische verhaalstructuren uit sagen, sprookjes en heldendichten. Hoofdpersoon Otto Sluis (een overtuigende Joeri Heegstra in ochtendjas en badslippers) is een goeiige sul die zweert bij zijn ontbijt met honing en hazelnootpasta en dagelijkse routine van kruiswoordraadsels oplossen.

Otto’s leven gaat zo zijn gangetje, totdat hij door het zwarte vakje in een themacryptogram over de Griekse mythologie in een parallelle wereld belandt. Het godenechtpaar Zeus (Sjef van Schie) en Hera (Marliz van Til) en kantoorklerk Apollo (Luc van Schie) beloven hem daar een veilige tocht huiswaarts, mits hij drie opdrachten weet te vervullen: een raadsel oplossen, een handtekening van de graanvogels ontfutselen en de bruine band van de sinistere P. de K. opstrijken. De ‘kleine man’ gaat op zoek naar de held in zichzelf, of beter, naar zijn eigen identiteit.

Energieke theatermachine
De verrassende vertelstructuur van Het had een mythe kunnen zijn voert de toeschouwer vervolgens naar weer nieuwe mythische en sprookjesachtige werelden. Zo is daar een komische Ray Charles-achtige imitatie van de blinde ziener Tiresias (Thom van Leuveren), die Otto in een klein stoffig schuurtje van de silo een wijze raad geeft. In een andere scène ontmoet de antiheld een gevaarlijke tweeling, die zo uit de Matrixfilms van de gebroeders Wachowski  weggelopen lijkt te zijn. In weer een andere setting benut Otto zijn verbale kunsten om de vileine moeder en dochter graanvogel om de tuin te leiden.

Van Homerus’ heldenepos De Odyssee tot de overbekende Sprookjes van Moeder de Gans van Charles Perrault en van vlotte referenties aan de populaire cultuur tot kleine filosofische bespiegelingen: met veel plezier maalt NiznO het door zijn energieke theatermachine heen. Geinige muzikale of anderszins ritmische intermezzi zijn bovendien nooit ver te zoeken. De ironische omgang met taal (bijvoorbeeld P. de K. als verwijzing naar de door Otto verafschuwde pindakaas) vormt een belangrijk onderdeel van het corpus van het gezelschap.

Underdog
Kleine kritiekpunten zijn er desalniettemin ook aan te wijzen. Zo verloopt de mise-en-scène af en toe nog niet geheel soepel, maar dat zal de komende voorstellingen wel veranderen. Daarnaast is de artistieke opzet van het stuk voor NiznO misschien niet direct een uitdaging. De producties van het gezelschap kenmerken zich namelijk vaker door gelijksoortige ironische muzikale stukjes, vlotte terzijdes en droge humor. Desondanks weten de spelers het publiek op sprankelende wijze door de werelden van onze verbeelding te leiden. Tot aan het aandoenlijke slot waar Otto vertelt over zijn leven als underdog. Uiteindelijk zijn wij natuurlijk allemaal een beetje Otto.

Gepubliceerd op: 29-08-2012

Facebook reacties