Ilay den Boer: “Theater is geen theater, als het geen vragen stelt”
Door: Bram van Leuveren
“Ik hoop dat het weer een beetje meezit.” Ietwat gespannen kijkt de Israëlisch-Nederlandse theatermaker Ilay den Boer (1986) naar de zwaarbewolkte hemel boven de NDSM-werf in Amsterdam-Noord. Tijdens het Over het IJ Festival speelt daar dagelijks zijn nieuwste theaterproductie Broer. Het is het voorlaatste stuk in de zesdelige reeks Het Beloofde Feest waarin Den Boer de complexiteit van de joodse identiteit onder de loep neemt. “Op het moment dat het over mezelf gaat, moet ik er niet staan.”
Kun je iets zeggen over hoe de hedendaagse joodse identiteit zich verhoudt tot de historische emancipatie van de joden vanaf de Verlichting tot in de loop van de negentiende eeuw?
“Daar kun je wel acht proefschriften over schrijven! Er is eigenlijk geen beginnen aan. In mijn voorstellingen houd ik me vooral bezig met de joodse identiteit in vergelijking tot het hedendaagse Israëlisch-Arabisch conflict, dus vanaf pakweg 1940. Op die identiteit bestaan ongelofelijk veel perspectieven. In elke voorstelling uit Het Beloofde Feest laat ik daarom zien waar ik op dat moment zit. Met Broer ben ik op een punt beland dat ik zoiets als een identiteit misschien los moet laten. Ze kan immers iets heel gevaarlijk zijn – bijvoorbeeld als ze aanleiding geeft tot bedreigende groepsvorming.”
In je voorstellingen speelt het publiek een grote rol. Het wordt geacht actief mee te denken aan de door jou opgeworpen vragen. Wat betekent die inbreng voor jou persoonlijk?
“Het brengt je op nieuwe gedachtes of het levert inhoudelijk gesprekken op, tijdens of na de voorstelling. Je neemt altijd dingen mee. Volledige chemie tussen mij en het publiek bestaat pas na zo’n twintig keer spelen. Pas dan ‘zit’ de voorstelling echt.
Met Broer wilde ik via een klein persoonlijk verhaal de relatie met mijn vijf jaar jongere broer Anan uiteenzetten, dat méér zegt dan die relatie alleen. Tenslotte ben ik ook heel technisch met een voorstelling bezig, waardoor het emotionele en persoonlijke proces op de achtergrond raakt.”
Broer verhaalt over je ingrijpende breuk met Anan in de winter van 2008-2009 tijdens de Gaza-oorlog. Waar jij in het theater uitgebreid inzoomde op de joodse kwestie, daar leek hij voor zijn verantwoordelijkheid weg te lopen. In de voorstelling proberen jullie zogenaamd dichter tot elkaar te komen. Ben je niet bang dat werkelijkheid en fictie teveel door elkaar zullen lopen?
“Kijk, mijn conflict met Anan heb ik natuurlijk allang opgelost, anders had ik daar ook geen theater over kunnen maken. Dat had gewoonweg niet gekund. De vraag naar wat waar of werkelijk is in mijn voorstellingen, houdt mij ook erg bezig. Wat je nu wel of niet uit je persoonlijke leven theatraal verwerkt: het is een bewustzijn dat je moet hebben.
Om de scheidslijn tussen fictie en realiteit te bewaken heeft Anan – die zelf overigens niet theatraal maar muzikaal geschoold is – duidelijk zijn grenzen aangegeven. Tot zover en niet verder. Hij wilde niet alles delen met het publiek. Dat je samen zo’n conflict gaat uitzoeken is bijzonder, maar maakt het allemaal ook erg kwetsbaar.”
In de laatste voorstelling in de reeks, die eind 2013 in première gaat, wil Den Boer tenslotte zijn eigen verantwoordelijkheid voor de door hem behandelde problematiek aan de kaak stellen. Tekenend daarbij is dat hij zichzelf laat spelen door een andere acteur. “Ik ben zo ambivalent als het maar zijn kan. Anders zou ik ook geen zes perspectieven maken. Wat dat betreft ben ik vrij meningloos. Maar theater is dan ook geen theater, als het geen vragen stelt. Antwoorden zijn er niet voor bedoeld.”
Tot slot: 30 augustus spreek je tijdens de opening van het Nederlands Theaterfestival, samen met acteurs Walter Bart en Jeroen de Man, de Staat van het Theater 2012 uit. Je wilde namens een jonge generatie het woord voeren. Wat is er zo urgent aan je boodschap?
“Vooral de generaties boven ons bepalen het artistieke beleid. De jonge theatermakers worden daar nauwelijks bij betrokken. Mijn streven is hier verandering in aan te brengen. Wat voor oplossing ik hiervoor precies zal gaan aandragen, weet ik nog niet: ik wil tijdens mijn toespraak vooral ideeën opwerpen. Belangrijk is ook dat de sector – veel meer nog dan nu het geval is – de banden tussen de theaterkunst en de maatschappij aanhaalt; zeker nu deze twee in Nederland elkaar voor geen millimeter begrijpen.
Natuurlijk kan ik nog niet al te veel over de inhoud van mijn deel van de toespraak zeggen, maar ik weet wel dat ik geen dogmatisch verhaal zal houden. Zeker twintig procent van de aanwezigen tijdens de festivalopening is werkloos. Dat is een behoorlijk precaire situatie. Ik wil mensen dan ook voornamelijk inspireren met mijn verhaal.”
Gepubliceerd op: 15-07-2012








