Roemer van der Steeg: “Soms kun je de boodschap beter overbrengen als mensen erom kunnen lachen”
Door: Nathalie Hoogeveen
‘Je komt erachter: je bent niet geniaal. En dan moet je nog je hele leven.’ Dit is een herkenbaar gevoel voor liedjesschrijver Roemer van der Steeg (31). Dus schreef hij er zijn eerste avondvullende liedjesprogramma over.
Thomas Acda, Claudia de Breij en Klaas van der Eerden gingen hem al voor. In 2008 won kleinkunstenaar Roemer van der Steeg het Wim Sonneveldconcours op het Amsterdam Kleinkunst Festival: een belangrijke stimulans voor aanstormend cabarettalent dat als een springplank kan dienen voor een verdere carrière op het toneel.
Wat is er sindsdien voor jou veranderd?
“Toen ik de prijs won ben ik bij een impresariaat gekomen. Nu heb ik een theatertour die ik niet meer zelf hoef te regelen, dat regelt mijn impresariaat. Ik ben niet superbekend, maar de theaters kennen me vaak wel en ik word daarom ook vaker geboekt. Voordat ik het concours won moest ik alles zelf regelen. Het is nu allemaal wat professioneler.”
In één van je liedjes zing je dat je naar bedorven testosteron stinkt. Gaat Ik ben geen kernfysicus over jezelf?
“Een liedje is een vorm voor iets anders, zoals dat bij alle kunst zo is, denk ik. En dus ook bij kleinkunst. Je wilt er een boodschap of een emotie mee overbrengen. Ik zoek dan naar een indirecte vorm om de boodschap luchtig (of zwaar) over te brengen. Mijn stinklied gaat dus over dat we allemaal steeds ouder worden en dat het heel vreselijk is. Ik schrijf daar dan geen zwaar lied over, maar voor mij staat het stinken symbool voor aftakeling. Dat gaat dus inderdaad over mijzelf, maar tegelijkertijd is het heel erg herkenbaar voor iedereen, dus het gaat ook over iedereen. Elke oude man stinkt namelijk een beetje naar bedorven testosteron. Een goed comedyliedje (alleen vind ik mezelf geen cabaretier maar liedjesschrijver), moet voor iedereen herkenbaar zijn. Soms kun je de boodschap beter overbrengen als mensen erom kunnen lachen”
Jouw programma gaat over het feit dat veel mensen er op een gegeven moment achter komen dat ze niet geniaal zijn. Is dat ook herkenbaar voor jou?
“Jazeker. Als je jonger bent denk je nog heel lang ‘ik word nog wat’, maar op een gegeven moment merk je dat het misschien wel helemaal nergens naartoe gaat. En dat er geen doel is. En als dat weg is, is dat wel echt een rare ontdekking. Dan denk je opeens: ‘oja! Ik ga wel misschien nooit de Nobelprijs winnen.’ Bijvoorbeeld: vroeger zat je op voetbal en daar was je wel aardig in, maar niet de beste. En dan ging je maar op tennis. Daar was je ook best goed in, maar toch werd je ook daarin weer voorbijgestreefd. En zo kan je steeds meer dingen wegstrepen. Dan zijn er uiteindelijk nog wel een paar dingen die je gewoon prima kan: een leuke baan hebben, met vrienden afspreken… Af en toe ga je uit eten, af en toe word je eens verliefd, maar voor de rest gaat het nergens naartoe. En dat is het dan. Er is geen einddoel meer.”
Heb jij nu dan ook geen einddoel meer?
“Jawel. Daar zit wel een contradictie in, inderdaad. Dan denk ik: ‘verdomme, ik ben nu 31 en ik ben nog steeds niet beroemd en word ik nog steeds door CultuurBewust geïnterviewd in plaats van door het NRC.’ Maar ik denk niet dat ‘geniaal zijn’ mijn einddoel moet zijn.
Soms denk ik ook wel dat dit het misschien het wel gewoon is: touren met m’n programma en de ene dag voor vijftig man spelen en de andere voor driehonderd.”
Hoe gaat het schrijfproces bij jou?
“Ik had het laatst met een collega van Op Sterk Water over een autosloperij. Dat is echt een hele bizarre plek. Hij zei: het heeft iets lugubers omdat het lijkt alsof al die auto’s kapot zijn gegaan door een ongeluk. Er zit allemaal ellende in. En dat is precies de manier waarop er een liedje ontstaat. Dan denk ik: ‘o, wat luguber om hier rond te lopen.’ Dat staat dan symbool voor de enorme hoop leed die je eigenlijk niet ziet. Dat is een heel essentieel gevoel. Ik ben met schrijven ook steeds op zoek naar iets essentieels waar je dan een vorm voor probeert te vinden.”
Na jouw vorige show werd je omschreven als een romanticus met scherpe, spottende kantjes. Klopt dat?
“Ja, ik denk het wel. Ik vind het leuk om een zware boodschap luchtig te brengen. Zo’n beeld van een autosloperij kun je denk ik wel romantisch noemen. Maar ik ben niet zo van de draak met dingen te steken. Anders vinden mensen het niet leuk. Het moet een mooie afwisseling zijn.”
Gepubliceerd op: 13-10-2010








