Arthur Japin: “De mensheid bekeren tot de liefde is een prachtig doel op zich.”
Door: Mina Etemad
Een dag voor Manuscripta verscheen de nieuwe roman van Arthur Japin: Vaslav. Dit boek gaat over de Russische balletdanser Vaslav Nijinski, die tijdens zijn eerste voorstelling na de Eerste Wereldoorlog midden in zijn dans stopte en zei: “Nu is het kleine paardje moe.” Daarna heeft hij nooit meer gedanst of gesproken. CultuurBewust.nl sprak met Arthur Japin over dit interessante personage, zijn roman, de liefde en ballet.
U raakte dertig jaar geleden al bekend met het verhaal van Vaslav. Waarom besloot u er nu een boek over te schrijven?
“Ik had er toen ook al iets mee gedaan: op de theaterschool heb ik er een eindexamenproject over gemaakt. Toen was het eigenlijk klaar, maar ik leefde verder en bleef erover doorlezen. Op een gegeven moment wist ik dat ik er iets mee moest. Een bepaald thema uit zo’n verhaal gaat ineens in je eigen leven een rol spelen waardoor je er extra op gaat letten in dat verhaal. Waar ik zelf mee bezig ben is het verlangen om te zwijgen, wat Vaslav ook had: hij houdt op een gegeven moment op met dansen en praten. De behoefte om stil te zijn, om woorden niet meer nodig te hebben, is iets wat in mij ook aanwezig is.”
Dat zou je juist niet zeggen van een auteur.
“Nee. Of misschien juist wel, want die kent de waarde van woorden. Ik ben als enig kind opgegroeid, dus ik leefde in mijn eigen hoofd. Ik ben ook opgegroeid met een hondje, waarmee ik helemaal niet hoefde te communiceren met woorden, want hij wist alles. Hij heeft mij geleerd mijn intuïtie te gebruiken. Dus als ik met mensen samen ben, weet en begrijp ik in één oogopslag heel veel van ze. Als ze gaan praten, vertellen ze soms hele andere dingen. Dat heb ik lange tijd verwarrend gevonden, tot ik een jaar of vijfendertig was en erachter kwam dat niet iedereen een ander zo goed kan lezen. Daar heb ik een tijd mee geworsteld en dat is iets waar Vaslav ook mee bezig was. Waarom begrijpen anderen zijn boodschap niet? Hij besluit in zichzelf te keren waar hij wel begrepen wordt. Dat is bijvoorbeeld een thema dat me bezighoudt.”
Wat intrigeerde u nog meer aan het verhaal van Vaslav?
“In zijn dagboeken heeft hij het constant over liefhebben, over elkaar zien staan, elkaar begrijpen, mededogen hebben, geen vlees eten, want hij voelde de pijn van de dieren. Al die dingen, over de liefde en liefhebben, benoemde ik al in mijn boeken en mijn lezingen. Dus dat zijn allemaal aanknopingspunten waardoor ik opnieuw geïnteresseerd ben geraakt in deze figuur.
Wat me nu ook bewuster interesseert dan dertig jaar geleden, is wat er met de mensen om hem heen gebeurde. Zelf moest ik, net als zijn dochter Kyra, toen ik een jaar of negen was bij mijn vader op bezoek in het gekkenhuis. Twee mensen maakten een enorme indruk op me. Op de lange gang zat een vrouw voor de deur van haar kamer te huilen. Altijd, op volle sterkte. De ander was een jongen die een orkest was. Hij liep stralend op de gang heen en weer en maakte geluid met heel zijn lichaam. Als kind moest ik ermee omgaan dat ik elke week in het gekkenhuis kwam, dus ik bedacht dat het misschien niet zo erg is als je inzoomt op een klein fragmentje van je leven. Bij de huilende vrouw was het een verdrietig stuk, maar de orkestjongen had iets moois gekozen en in zijn kleine wereld was hij best gelukkig. Vaslav appelleert daar ook aan.”
Op welk deel zoomt Vaslav volgens u dan in?
“Het was een wonderlijk iemand – genialiteit en gekte staan dicht bij elkaar. Op het toneel was hij alom aanwezig, de mensen in de zaal waren zo erg onder de indruk dat ze het nooit meer vergaten. Maar zodra hij afkwam, was hij praktisch onzichtbaar. Je kon hem bijna niet vinden in de ruimte, hij moest aan de hand mee door de menigte gevoerd worden en aan anderen vragen of hij iets lustte of niet. Echt als een kind. Een zwakke persoonlijkheid, maar er zat een krachtige kern in.
Hij werd verscheurd tussen twee sterke mensen. Diaghilev, de grote man van de Ballet Russes, en zijn vrouw, Romola. Ik kan me goed voorstellen dat als je weet dat je een krachtige kern in je hebt, maar die niet naar buiten kunt brengen in dat gezelschap, dat je dan denkt: ‘Ik sluit me af en ga naar daar waar ik sterk en zeker van mezelf ben, waar ik dingen ga creëren waarmee ik nu de mensen niet kan bereiken.’
Ik huiver ervoor om hem gek te noemen, omdat het een keuze is. Dat bewonder ik ook weer. Het boek gaat ook over hoe je je leven vorm geeft. De hoofdpersonen hebben allemaal hun leven in eigen hand genomen. Romola schept bijvoorbeeld haar eigen leven doordat ze Vaslav ziet dansen en denkt: ‘Die man wil ik hebben’. De rest van haar leven is ze bezig met hem te veroveren. Als ze de god van de dans eenmaal heeft, maar hij opeens niet meer danst, zorgt ze wel zijn hele leven voor hem.”
Heeft Romola niet eigenlijk gedaan wat Vaslav zo graag wilde? Zij heeft haar liefde gegeven, aan zijn boodschap gehoor gegeven en toch is hij in het gekkenhuis terecht gekomen.
“Misschien. Ik denk dat ze allemaal op hun manier met liefde bezig waren, maar er niet zo handig in waren. Vaslavs drijfveer was om de mensheid te bekeren tot de liefde. Een prachtig doel op zich vind ik – ik ga het zeker ook nog proberen. In zijn dagboeken beschrijft hij zijn proces van gek worden. Die waren bedoeld om gepubliceerd te worden, zodat mensen zouden leren wat hij ze niet kon laten zien of vertellen.
Romola speelt een wonderlijke rol. In de geschiedenis en in de boeken is zij altijd de kwaaie pier. Men zegt dat als zij er niet was geweest, hij gewoon had door gedanst en niet gek was geworden. Ik was eigenlijk nooit van plan om haar een grote rol in het boek te geven, maar zij werd zo boos in mij en zei: ‘Maar ik heb hem door de oorlog heen gehaald, ik heb ervoor gezorgd dat hij niet werd geëxtermineerd door de Duitsers en ik heb mijn hele leven aan hem gegeven!’ Dus ze moest ook haar eigen hoofdstuk krijgen, dan kon ze ook haar kant van de zaak laten horen.”
Nietzsche (die ook in het boek een kleine rol speelt) had ook als doel het bekeren tot liefde, maar ook hij is in een gekkenhuis beland. U wilt dezelfde boodschap verspreiden, maar jaagt hun lot u geen angst aan?
“Nee, ik ben daar niet bang voor, omdat ik schrijf. Schrijven is ook een flinterdun eindje verwijderd van die gekte, maar ik denk dat ik een goede vorm gevonden heb om kenbaar te kunnen maken wat ik wil zeggen en wat ik daarmee bedoel. Het is wel frappant dat het met hen zo afgelopen is. Maar ik kan me wel voorstellen dat het moment komt waarop je denkt: ‘Nu hou ik op met alles, nu verdwijn ik.’”
U woont samen met twee andere mannen. Mensen vinden dat vreemd, omdat ze denken dat je niet van twee mensen tegelijkertijd kan houden. Bewijst Vaslavs verhaal dat niet ook? Twee mensen hielden van hem en toch is het misgegaan.
“Dat komt omdat die twee niet van elkaar hielden, dus het uitgangspunt is anders. Vroeger kende ik ook mensen die met zijn drieën een relatie hadden en ik dacht dat het zielig was, omdat er altijd één wat tekort komt. Dat is een verkeerde gedachte, maar dat weet je pas als het je overkomt. Dan merk je dat de liefde verdubbelt. Er is een enorm reservoir aan liefde in ons huis die niet opraakt en waar iedereen van kan drinken.
De vergissing die mensen maken is dat liefde iets is wat je krijgt. En als je het krijgt, wil je het houden en het niet kwijtraken. Maar liefde is iets wat je geeft. Dat kun je aan één persoon geven, maar ook aan meerdere personen en ook op heel veel niveaus. Op het niveau van de grote liefde, liefdadigheid, of warmte naar mensen toe. Het is een soort energie: als die op gang is gekomen, is er geen rem.”
U heeft vroeger ook ballet gedanst en in een eerder interview heeft u gezegd dat u dansend bent begonnen en zo zou willen eindigen. Gaat u dus nog het podium betreden?
“Het heeft met het schrijven van dit boek te maken. Ieder boek waar je mee bezig bent laat sporen na in je eigen leven. Ik heb als jongetje twee jaar op ballet gezeten. Bovendien ben ik uitgedraaid geboren [hij zet zijn voeten moeiteloos in de eerste balletpositie, red.]. Ik sta ogenblikkelijk in de goede positie. Maar ik ben groot en mijn botten zijn te zwaar om al die sprongen op te vangen, dus toen ben ik ermee opgehouden.
Toen ik het boek aan het schrijven was leek het me weer belangrijk om me over te kunnen geven aan die muziek en me helemaal te laten gaan. Stiekem doe ik het wel eens thuis. Dan zet ik muziek op, doe de gordijnen dicht en ga gewoon los. Waarom niet? Bewegen moet je zien als een taal die je hebt leren spreken en die je vergeet, maar niet helemaal. Je kan het weer terugroepen. Ook als je ouder bent spreekt je lichaam die taal nog wel. Het lijkt me heerlijk om me weer in die taal van het lijf te kunnen uiten.”
08-09-2010




