Distelpluis – Supermarktman

afbeelding Column

mrt
1

Door:

Wat ben ik toch voor mens, dat ik me geïrriteerd afwend als iemand mij ‘goedemorgen’ wenst. Of is het misschien gêne, vraag ik me af, terwijl ik met mijn boodschappenkar de supermarkt verlaat. Wijn, chocolade, zoutjes, kant-en-klaarmaaltijden. ‘Ja, we hebben een feestje,’ zeg ik in gedachten tegen de Roma-zigeuner die in grauwe kleding tegen de winkelpui leunt.

Van kartonnen dozen heeft hij een soort toonbank gemaakt, met daar bovenop een bakje waarin enkele munten liggen. Want dáár gaat het natuurlijk om! Hij wenst mij niet uit vriendelijkheid goedemorgen. Hij staat gewoon te bedelen. Hij zou beter bij een kerk gaan staan, of bij het Leger des Heils. Maar nee, hij staat uitgerekend bij de supermarkt.

Als ik naar binnenga, kan ik zijn aanblik nog wel verdragen, maar als ik mijn boodschappen eenmaal heb, wordt het lastiger. Ik betrap mezelf erop dat ik het liefst de achteruitgang zou nemen, maar die omweg vind ik al te dwaas. Dus veins ik interesse voor de uitstallingen in de winkelpassage en wacht op een druk moment bij de uitgang. In de stroom val ik niet zo op. Samen zijn we immers sterk!

Samen sterk. Samen sterk. Op deze cadans loop ik naar mijn auto en knik naar een andere consument met net zo’n volle kar. Als zij me goedemorgen wenst, laat dat helemaal geen vervelend gevoel achter. In tegendeel. Ik ken haar niet, maar ik herken haar aan haar auto en haar kar vol boodschappen: wij zijn soortgenoten en daar hoort die bedelaar niet bij.

’s Avonds op het journaal zie ik een reportage over mensen die in onze samenleving op een of andere manier buiten de boot vallen. In de verhalen van de psychiatrische patiënten en de zwervers herken ik mijn supermarktman. Na zoveel kastjes en muren heeft hun boosheid en teleurstelling plaatsgemaakt voor gelatenheid. ’s Nachts hoor ik de regen op het dak boven mijn hoofd striemen en ik vraag me af waar hij slaapt.

De volgende ochtend als ik verse croissantjes haal, werp ik een schuwe blik op hem: zijn ogen staan vriendelijk. Zijn ‘goedemorgen mevrouw’ is helemaal zonder haat of wrok. Hij neemt het mij niet eens kwalijk dat ik hem nog nooit één cent heb gegeven! Door zijn kartonnen dozen zie ik mijn luxe woning. Door zijn afgedragen kleding mijn overbodig dure merkjas. Ineens haat ik de wereld, omdat het niet vanzelfsprekend is dat ik hem mee naar huis neem en een bad, een bed en een goede maaltijd aanbied. Ik grabbel in mijn jaszak naar de munt voor de winkelwagen en gooi die zijn bakje, maar dat maakt het er niet beter op, want ik weet dat ik die munt niet zal missen.

Ontdek CultuurBewust.nl

Facebook reacties

Reacties

Laat een reactie achter