Mijn kleine oorlog – Louis Paul Boon
Door: Dennis Smits
Ze staan in menig boekenkast om indruk te maken op het bezoek, maar naar de inhoud kan beter niet gevraagd worden. Om de bezitter van het klassieke werk niet meer met de mond vol tanden te laten staan, wanneer gevraagd wordt waar het eigenlijk over gaat, bespreken we tweewekelijks een klassieker uit binnen- of buitenland. Deze keer: Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd soldaat en schrijver Louis Paul Boon krijgsgevangen genomen. Na vier maanden kwam hij vrij en de rest van de oorlog hield Boon aantekeningen bij, om na de bevrijding het ‘grote boek over den oorlog’ te publiceren. Dat boek is er nooit gekomen, maar de schrijver kon zijn aantekeningen gebruiken toen Paul Gustave van Hecke, hoofdredacteur van het socialistisch weekblad Zondagspost hem vroeg een wekelijks artikel over de oorlog te schrijven. Na veertien afleveringen moest de rubriek wegens geldgebrek stopgezet worden, waarna Van Hecke Boon aanspoorde om de stukjes in boekvorm uit te geven. Mijn kleine oorlog was geboren.
De ontstaansgeschiedenis is een verklaring voor de fragmentarische stijl die het boek zo kenmerkt. Mijn kleine oorlog bestaat uit een groot aantal korte hoofdstukjes, die bijna allemaal worden afgesloten met een kort cursief gedrukt stukje tekst, dat weinig met het bijbehorende hoofdstukje te maken lijkt te hebben.
Er is echter nog een verklaring voor die fragmentarische opzet. Boon heeft met Mijn kleine oorlog verwarring willen scheppen. De lezer moest geen houvast krijgen in het boek, net zoals de burgers tijdens de oorlog ook geen houvast aan elkaar en de overheid konden krijgen. Mede door zijn krijgsgevangenschap en zijn werkloosheid in de periode erna, was Louis Paul Boon een gedesillusioneerd man. Boon laat een kant van de mensheid zien die men vlak na de bevrijding liever niet wilde zien. Hij toont een Vlaanderen dat van egoïsme en zelfverrijking aan elkaar hangt. Burgers stelen elkaars spullen om ze door te verkopen en drinken zich een stuk in de kraag om alle ellende te vergeten. Van een ‘met zijn allen tegen de vijand’-gevoel is nergens sprake.
De chaos waarover Boon verhaalt wordt versterkt door de stijl van schrijven. De cursieve stukjes onder aan ieder hoofdstukje komen volkomen uit de lucht vallen, ze lijken geen begin en einde te hebben. Met interpunctie gaat Boon selectief te werk en de soms zeer grove streektaal waar hij zich van bedient, stookt het vuurtje nog eens flink op.
Toen Mijn kleine oorlog in februari 1947 voor het eerst werd uitgegeven, werd het overladen met kritiek. Een anonieme criticus van De Nieuwe Standaard, welke later hoofdredacteur Paul de Ryck bleek te zijn, typeerde het boek als “[...] één aaneenschakeling van ontmoedigende en deprimerende levensbeelden”.
De kentering kwam toen Willem Elsschot zich ermee ging bemoeien. Hij riep op om Mijn kleine oorlog niet te lezen door de ogen van de criticus, maar ‘met het hart, met een sprankel van het groot-menschelijk gevoel waarmede Boon het geschreven heeft’.
Mede dankzij Willem Elsschot kunnen we vandaag de dag naar het boek kijken om wat het is: een zowel stilistisch als inhoudelijk verontrustende oorlogsroman. Mijn kleine oorlog symboliseert op uitmuntende en tegelijkertijd angstaanjagende wijze de chaos en het egoïsme ten tijde van oorlog. Het was, blijkens de beroemde slotzin van het boek, precies de bedoeling van Louis Paul Boon. De mensen moesten worden wakker geschud: “laatste roep: Schop de menschen TOT ZIJ EEN GEWETEN KRIJGEN”.
07-08-2009
« Vorige | Volgende »







