Titaanjes – Nescio
Door: Dennis Smits
Ze staan in menig boekenkast om indruk te maken op het bezoek, maar naar de inhoud kan beter niet gevraagd worden. Om de bezitter van het klassieke werk niet meer met de mond vol tanden te laten staan, wanneer gevraagd wordt waar het eigenlijk over gaat, bespreken we tweewekelijks een klassieker uit binnen- of buitenland. Deze keer: Titaantjes van Nescio.
“Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik het zelf.” Het is één van de beroemdste openingszinnen uit de Nederlandse literatuur. Het is het begin van het verhaal Titaanjes van Nescio, pseudoniem van zakenman J.H.F Grönloh. Nescio is Latijn voor ‘Ik weet het niet’. Veel tijd om te schrijven heeft hij, naast het drukke zakenleven, niet gehad. Het gepubliceerde werk van Nescio bestaat uit niet veel meer dan 350 pagina’s. Met dat geringe aantal heeft hij echter wel een stevige reputatie in de vaderlandse letteren veroverd. Voor Willem Frederik Hermans was het oeuvre van Nescio ‘het boek dat alle andere boeken overbodig maakt’.
Samen met De uitvreter wordt Titaantjes algemeen gezien als het beste verhaal van Nescio. Het verhaal draait om vijf Amsterdamse vrienden van rond de twintig jaar en is een ode aan de onbezonnen idealistische jeugd. Koekebakker (de verteller van het verhaal), Bavink, Bekker, Hoyer en Ploeger brengen hun tijd door met op elkaars ‘hok’ zitten, stenen pijpjes roken en wandelen in de polders rond Amsterdam. Ze verachten hun bazen en zakenlieden ‘die denken dat ze het zo goed voor elkaar hebben. Ook het ‘hebben van centen’ vinden ze maar niets.
De afloop, voor zover je van een afloop kunt spreken, laat zich raden. Eén voor één zwichten de jongens voor het burgermansleven. Koekebakker schrijft artikelen voor het Handelsblad, Bekker wordt handelaar, Hoyer leeft van een erfenis en van Ploeger weet niemand meer iets. De melancholische schilder Bavink is het allemaal teveel geworden: “Bavink heeft ’t tegen die ‘Godverdomse dingen’ afgelegd”.
Zoals in zijn gehele oeuvre bedient Nescio zich in Titaantjes van een concrete stijl zonder al teveel franje. Een kleine dertig pagina’s, meer heeft hij niet nodig gehad om het leven van de vijf vrienden te schetsen. Titaantjes stemt melancholisch; het doet verlangen naar vroegere, idealistische tijden. Tegelijkertijd uit de schrijver ook kritiek op de houding van de jonge Amsterdammers. De vijf vrienden, die de wereld wel eens even zouden laten zien hoe het moest, doen in feite niet veel meer dan kritiek geven op de brave burgers. Tot concrete acties komt het nooit. Meermalen dagdromen de jongens van een eigen stukje grond in de polder, naar het voorbeeld van Frederik van Eedens Walden. Ook dat idee sterft in schoonheid en goede bedoelingen.
Toch wint bij Nescio uiteindelijk de bewondering voor zijn personages. Aan het eind van het verhaal spreekt hij de hoop uit dat er altijd idealistische jongeren zullen blijven: “Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn alweer bezig om kleine rotsblokjes op te stapelen om ‘m van z’n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: ‘Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. ’t Spijt me dat je je nek moet breken en ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.’”
24-07-2009
« Vorige | Volgende »







