Archive for the ‘Kunst’ Category

« Older Entries |

Papa Adama: “Wat is kunst als het niet wordt aanschouwd?”

zaterdag, februari 4th, 2012

In 2009 zette kunstenaar Papa Adama (1980) naast de ingang van dierentuin Artis zijn ‘mini’-Zoo neer. Adama had tijdens zijn periode aan de Rijksakademie een veelvoud aan sculpturen vervaardigd en wilde dat ze zouden worden gezien door de buitenwereld. Want, zo zegt hij zelf: “Wat is kunst als het niet wordt aanschouwd?” Hoewel dit tuintje niets nieuws is, werd het toch tijd om een beetje extra aandacht aan deze bijzondere plek en de kunstenaar te besteden. In de chaos van het dagelijks leven is het namelijk makkelijk mooie openbare kunst te passeren zonder erbij te stil te staan. CultuurBewust.nl sprak met Papa Adama over zijn Zoo’tje, zijn achtergrond en de ideeën achter zijn kunst.

Mix
Adama is een excentriek figuur. Hij is even kleurrijk en ongepolijst als zijn kunstwerken. De nu in Amsterdam wonende kunstenaar groeide op in Burkina Faso waar hij vanaf zijn zestiende als autodidact zijn sculpturen en doeken maakte. Toen hij in 2003 naar Nederland kwam om hier zijn kunst te tonen werd dat meer dan goed ontvangen. Hij werd toegelaten aan de Gerrit Rietveld Academie en De Rijksakademie van beeldende kunsten en rondde beiden succesvol af. Op de vraag hoe zijn komst naar Nederland zijn kunst heeft veranderd, vertelt Adama dat zijn kunst niet zozeer is veranderd maar dat hij nieuwe dilemma’s in zijn kunst verwerkt. Hij is zich gaan afvragen wat Afrikaanse kunst nu eigenlijk is, wat Europese kunst is en hoe deze twee zich tot elkaar verhouden. “Ik wil in mijn kunst de mix tussen ‘zwart’ en ‘wit’ naar voren brengen.”

Kunst naar het leven
De beeldengroep naast Artis bestaat uit De Marktvrouw (2008), De Dinosaurus (2007), De Muzikant (2008) en De Kangoeroe met Baby (2008). De beelden zijn manshoog en het zijn allemaal karakteristieke, unieke figuren. Ze zijn gemaakt van robuust staal en zien er na drie jaar in de openlucht wat doorleefd uit, op een goede manier. Het laat zien dat de beelden bij de plek horen en onderdeel zijn geworden van de stad. Ondanks de typisch Nederlandse setting, roepen de beelden een Afrikaans gevoel op. Adama legt uit dat de inspiratie voor de beelden voor een deel van Antikiti komt, dit is een traditionele Afrikaanse kunstvorm. Daarnaast heeft hij in de beelden verwerkt wat hij in het dagelijks leven ziet en wat er in zijn hoofd omgaat. “Ik maak kunst naar het leven. Zolang ik dingen meemaak zal ik kunst blijven maken.” Hij wil met de beelden niet zozeer een boodschap uitdragen maar meer met de buitenwereld delen hoe hij de wereld ziet. Adama heeft de beelden los van elkaar vervaardigd waarna ze vervolgens per ‘toeval’ een mooie groep vormden.

Op de vraag waarom Adama per se deze plek heeft uitgekozen voor zijn beelden antwoordt hij: “De ezel stond er al en mijn sculpturen pasten daar perfect bij.” Met ‘de ezel’ doelt Adama op het houten bouwwerk dat middenin het tuintje staat. Adama heeft zijn beelden hier omheen geplaatst. Het idee om naast Artis nog een dierentuin in het klein te creëren stond hem aan. “De beelden passen bij de omgeving en het is leuk dat kinderen na een bezoek aan Artis nog even bij De Kangoeroe en De Dinosaurus komen kijken.”

Het stukje grond waar de beelden op staan is eigendom van de dierentuin. Adama had er voor kunnen kiezen om de beelden binnen de poorten van Artis neer te zetten maar besloot dat uit morele overwegingen niet te doen. Binnen de poorten zijn ze namelijk niet meer openbaar. Hij wil dat iedereen naar zijn beelden kan kijken zonder ervoor te hoeven betalen. “Gratis kunst”, noemt hij dit.

Adama’s stempel op de wereld
Papa Adama vindt het belangrijk dat hij met zijn kunst zijn stempel zet op de wereld om hem heen. Waar het menselijke leven vergankelijk is, blijft zijn kunst bestaan. De afgelopen jaren heeft Adama zijn werk in verschillende galeries over het hele land getoond. Wat betreft exposities heeft hij het nu wat rustiger. Adama is momenteel vooral bezig met schilderen, op kleinere doeken dan eerst. Zijn recente werkplek is te klein om nog grote doeken te beschilderen of sculpturen te maken. Het is te hopen dat het hier in de toekomst wel weer van komt. Nog meer van Papa Adama’s bijzondere ‘tuintjes’ zouden Amsterdam niet misstaan.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Interview, Kunst | No Comments »

Food Forward: een futuristische blik op de toekomst van ons eten

vrijdag, februari 3rd, 2012

Vraag vandaag de dag aan een willekeurig kind waar een biefstuk vandaan komt en het antwoord zal vaker ‘de Albert Heijn’ zijn dan ‘van een koe’. Deze afstand tot ons voedsel is ook onder volwassenen te bespeuren. Kunst- en architectuurcentrum Stroom in Den Haag neemt deze vervreemding als uitgangspunt voor Food Forward. Deze tentoonstelling laat werken zien van kunstenaars die nieuwe mogelijkheden verkennen voor de relatie tussen mens en voedsel in een stedelijke context. Hiermee wordt gezocht naar oplossingen voor ons toekomstig voedseltekort. De futuristische werken lijken soms wat vergezocht maar zetten wel aan tot denken over de voedselconsumptie.

Foodprint
In 2050 zullen er negen miljard mensen op aarde zijn en om al deze mensen te voeden moet de voedselproductie verdubbelen. De tentoonstelling Food Forward is de afsluiter van het meerjarige programma Foodprint over dit voedseltekort en de invloed van voedsel op cultuur en de stedelijke omgeving. Vorig jaar werden in het kader van deze serie bijvoorbeeld vier locaties in de Haagse Schilderswijk door bewoners beplant met eetbaar groen, fruit en kruiden. Met dit soort succesvolle initiatieven werd de voedselproductie zichtbaar gemaakt en teruggebracht naar de stad.

Alternatieven
Food Forward benadert het voedseltekort vanaf een andere kant. De exposerende kunstenaars proberen het probleem niet te herstellen, maar aanvaarden het en zijn zo in staat alternatieve oplossingen te creëren. De werken gaan dus ook veel verder dan stedelijk tuinieren; ze grenzen aan wetenschap en technologie.

Algen
Zo is er bijvoorbeeld van Michael Burton en Michiko Nitta de installatie  Algaculture (2010-heden) te zien: een toekomstscenario voor een nieuwe culturele revolutie die de landbouw zal vervangen. Hier komen kunst en wetenschap op subtiele wijze samen. De boeiende projectie van een man die met een groene substantie is overdekt, laat de integratie van algen in het menselijk lichaam zien. Door deze algen wordt de mens semi-fotosynthetisch waarbij voedsel verkregen wordt door licht op te nemen.

Krimpen
Een ander futuristisch project is The Incredible Shrinking Man (2008-heden) van Arne Hendriks. Ook hij zoekt de oplossing niet in de voedselproductie maar bij de mens zelf. De mens wordt gemiddeld steeds langer en daardoor is ook steeds meer leefruimte en eten vereist. Door de mens te verkleinen tot vijftig centimeter hebben we in theorie slechts twee procent nodig van wat wij nu verbruiken. Zo wordt het mogelijk om ook binnen de stad ons eigen voedsel te verbouwen. Het idee blinkt uit in eenvoud, de uitwerking in inventiviteit. Food Forward laat het voorbeeld zien van een moestuin van kiemgroenten ter grote van een balkon en de Somatostatin Zebrafish Farm (2012). Deze kleine zebravisje zijn zo gemanipuleerd dat ze veel somatostatine bevatten: een natuurlijk groei remmend hormoon dat bovendien het voedselverwerkingsproces in de maag vertraagd. Door regelmatig zo’n visje te eten, zou de mens klein moeten kunnen blijven.

Uit de visionaire werken die Food Forward toont, blijkt dat kunst als oplossing voor het voedseltekort dus nog niet zo’n gek idee is als het misschien lijkt. Door andere vragen te stellen, ontstaan er creatieve en onverwachte oplossingen voor een mondiaal probleem. Ondanks dat deze soms wat onwerkelijk lijken, zijn ze allemaal geworteld in wetenschappelijk onderzoek of technologie. En vooral zetten de werken je aan het denken en maken ze je bewust van je eigen voedselconsumptie.

Tags: , , , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »

Van de kunst van Paul Klee en Cobra word je kinderlijk enthousiast

dinsdag, januari 31st, 2012

Het Cobra Museum heeft naar eigen zeggen met de tentoonstelling ‘Klee en Cobra. Het begint als kind’ een hoogtepunt in het 16-jarig bestaan te pakken. Het museum mag inderdaad trots zijn op deze prestatie. Met topstukken van Paul Klee en Cobra hebben zij een tentoonstelling gemaakt waar het plezier van af spat.

Topstukken
Paul Klee (1879-1940) en de Cobrakunstenaars kenden elkaar niet persoonlijk, dus op het eerste gezicht ligt de combinatie niet voor de hand. Pas acht jaar na Klee’s dood zagen de Cobrakunstenaars diens werk, toen het Stedelijk Museum in 1948 driehonderd werken van Klee toonde. Dat doet het Cobra Museum Willem Sandberg niet na, maar met honderddertig topstukken is er toch een mooi overzicht te zien van Klee’s oeuvre. Dit werk wordt bovendien mooi aangevuld met werken van onder anderen Karel Appel (1921-2006), Constant (1920-2005), Corneille (1922-2010), Eugène Brands (1913-2002), Asger Jorn (1914-1973) en Carl-Henning Pedersen (1913-2007). De schilderijen, tekeningen, aquarellen, sculpturen, zelfs handpoppen komen overal vandaan: van Tate Modern en Centre Pompidou tot de twee andere organisatoren: het Paul Klee Zentrum te Bern en het Louisiana Museum of Modern Art te Humlebaek.

Kinderen en kunst
In deze verzameling goedgekozen kunstwerken wordt de fascinatie van de kunstenaars voor het kind en de kindertijd helder tot uitdrukking gebracht. Klee gebruikte motieven uit kindertekeningen om inzicht te krijgen in zijn eigen werk en dat deed hij op geraffineerde wijze. Zo laat het museum zien hoe bootjes of engeltjes die Klee tekende als kind, terugkomen in zijn latere werk. De Naoorlogse Cobrakunstenaars waardeerden vooral de kinderlijke spontaniteit; het kind als ongevormd individu. Het is wel belangrijk om op te merken dat zowel Klee als Cobra geen kinderkunst wilde maken. Klee zei: “Vergeet nooit dat het kind niets van kunst weet”. Deze kunstenaars wilden net zo vrij kunnen werken als een kind en dat levert fantasievolle, kleurrijke kunst op die plezier uitstraalt, maar niet kinderachtig is. Er is een groot verschil te zien tussen Klee’s kindertekeningen en zijn meer overwogen volwassen werk.

Uitstekende inrichting
Vooral de bijzonder goede inrichting zorgt voor veel kijkplezier. Het tentoonstellingsontwerp zorgt voor een duidelijke structurering, maar leidt niet af van de werken. De eerste centrale zaal schetst op zwarte muren de historische context. Vijf verschillende zalen grenzen als een waaier aan deze introducerende ruimte. Iedere ruimte krijgt een eigen thema: de verbeelding van het kind, maskers, acrobatiek, agressie en (fantasie)dieren. Door de thematische opzet is de artistieke ontwikkeling van Paul Klee soms wat moeilijk te volgen. Maar het zorgt wel voor mooie vergelijkingen in stijlen en thematieken van de verschillende kunstenaars. Het is bijvoorbeeld interessant om in de ruimte ‘Dieren’ de ongeremdheid van Karel Appels schilderwerk in Dier onder sterren (1949) te vergelijken met de meer verfijnde techniek van Paul Klee in het daarnaast gehangen doek Bastard (1939).

De tentoonstelling in het Cobra Museum biedt een unieke kans om een mooie collectie werken van Paul Klee te vergelijken met de werken van de leden van de Cobra-beweging. Dankzij een goede inrichting en selectie van topstukken, bieden de kleurrijke, enthousiaste kunstwerken veel kijkplezier.

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »

Geluid wordt licht in het Tschumipaviljoen

dinsdag, januari 31st, 2012

Een rij lichtringen vult het Tschumipaviljoen, een gekantelde glazen ruimte midden in Groningen. De twaalf ringen passen zich aan het omgevingsgeluid aan. Deze interactieve lichtinstallatie Wave Forms van experimenteel collectief Werc leeft zo mee met de stad. De serie zwevende ringen doet magisch aan, al valt er overdag weinig van te zien.

De orde van de dag
Het werk zit simpel in elkaar. In het paviljoen zijn twaalf schermen van gaas geplaatst. Aan het uiteinde van het paviljoen staat een beamer die een cirkel projecteert op de schermen. De cirkel op het eerste scherm staat dichter bij de beamer, en is dus kleiner dan die op het tweede scherm. Aan de overkant van het paviljoen staat nóg een beamer, deze doet precies het zelfde. Zo ontstaat er een opeenvolging van cirkels die eerst groter, daarna weer kleiner worden.

Buiten het paviljoen zijn vier microfoons geplaatst die omgevingsgeluid en de trillingen in de grond opvangen. De cirkels reageren hierop door uit te zetten of te krimpen. De komende tijd zal Werc nog experimenteren met andere projecties, zoals kruizen of driehoeken, die allemaal verschillend reageren op het omgevingsgeluid.

Doordat de cirkels reageren op omgevingsgeluid, weerspiegelen ze zo het ritme van de stad. Als het ’s nachts stil is op straat worden er perfecte cirkels geprojecteerd die bewegingloos in de glazen ruimte zweven. Deze rustige uitstraling slaat om in alle drukte van de spits. Terwijl iedereen van A naar B probeert te komen ontstaat er een ruis van pratende mensen, auto’s en bussen. Door deze ruis komt Wave Forms tot leven: de cirkels beginnen onrustig op te zwellen, waardoor het werk zich manifesteert als een kolossale ademende lichtmassa.

Schot in de roos
Wave Forms werd gerealiseerd door het Werc, een jong drieledig Gronings collectief. Werc beweegt zich tussen de domeinen van experimentele VJ- en nieuwe mediakunst. Hun installaties waren eerder te zien tijdens de Museumnacht in Amsterdam, Noorderzon, Clash, in V2 en in de Melkweg.

De site-specific installatie Wave Forms werd gemaakt voor het Tschumipaviljoen, dat in 1990 werd ontworpen door Bernard Tschumi. Het gekantelde bouwwerk staat midden op het Hereplein, een drukke rotonde in het centrum van Groningen. Het is een centrale plek waar dagelijks verkeer voorbijraast, tientallen mensen op de bus wachten en daklozen elkaar ontmoeten. Zo wordt het werk in het paviljoen van alle kanten bekeken en bereikt het werk niet alleen het gebruikelijke museumpubliek, maar ook duizenden toevallige voorbijgangers.

Sinds 1994 wordt het paviljoen gebruikt voor kunstprojecten. Doordat het paviljoen uitsluitend van glas gemaakt is wordt de afstand tussen publieke ruimte, kunst en architectuur minimaal. Werc versterkt dit door de activiteit op het plein met een minimalistische lichtsculptuur te combineren. Deze interactieve installatie in het Tschumipaviljoen is hierdoor een schot in de roos.

Wave Forms is een mooi site-specific werk dat goed past bij het paviljoen en de locatie. Bovendien lijkt het werk mee te leven met de stad en zijn inwoners: op drukke momenten van de dag is het werk onrustig, terwijl het werk in de nacht juist de stilte weet te benadrukken. Helaas is bij daglicht weinig van de cirkels te zien, maar gelukkig wordt het vroeg donker.

Tags: , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | 1 Comment »

Creatief met dode dieren

zondag, januari 29th, 2012

Dode dieren, dat klinkt eerder macaber dan gezellig. Toch was dit het onderwerp van de Late Night Show in Naturalis te Leiden. De tweede aflevering in een reeks van vijf avondvullende programma’s met spannende kunst, prikkelende wetenschap en interessante sprekers, en dat alles over dode dieren. Naturalis haalde er alles uit wat erin zat, letterlijk…

Met uiterste precisie vilt Becky Desjardins een ekster. Voor het podium, zodat iedereen het goed kan zien. Het binnenste doet ze in een pot met alcohol. De schedel, vleugelbotten en poten verwijdert ze niet, om de natuurlijke vorm van het dier te behouden.

Een beetje luguber oogt het wel, maar voor Desjardins is het de normaalste zaak van de wereld. Ze is namelijk assistent preparateur van Naturalis, het museum met één van de grootste collecties opgezette dieren ter wereld. Met de Late Night Show geeft Naturalis een kijkje in hun ‘biodiverse’ keuken en daar horen dode dieren dus ook bij.

Lammetjes en mammoets
“We houden van ze, maar we eten ze ook op. We gebruiken en misbruiken ze”, de host van de avond Lucien Hanssen – onderzoeker aan het Centre for Society and the Life Sciences in Nijmegen – vat onze relatie met dieren in twee zinnen samen. Terwijl Desjardins prepareert, wisselen verschillende sprekers elkaar af om die stelling te onderbouwen. Zo vertelt filosofe Sabine Roeser over haar liefde voor lammetjes en praat biologe Barbara Gravendeel over de mogelijkheid van het tot leven wekken van uitgestorven dieren.

Kattentas
Hoogtepunt van de show is kunstenares Tinkebell die met veel humor spreekt over hoe ze haar geliefde kat eigenhandig uit zijn lijden heeft verlost en hoe ze op het idee kwam om van zijn velletje een handtas te maken. Ze geeft toe, het diertje doodmaken was niet makkelijk, maar volgens de kunstenares “voelt dat waarschijnlijk hetzelfde als voor elk baasje dat gedwongen is zijn huisdier een spuitje te geven”.

Provoceert Tinkebell om te provoceren? Misschien. Aan de andere kant, ze maakt wel een duidelijk punt. Als ze het dier had afgegeven bij de dierenarts was het beestje gecremeerd met honderden andere huisdieren. Van zijn as zou waarschijnlijk asfalt zijn gemaakt. Hoewel gebruikelijker, is dit in feite net zo discutabel en misschien zelfs minder respectvol. Om nog maar te zwijgen over al die dieren die we schaamteloos doden voor de vleesconsumptie. “Waarom is vlees eten niet erg, maar kunst ervan maken wel?” vraagt Tinkebell zich hardop af.

Hoewel er extra bewaking is ingezet om de eventuele tegenstanders van Tinkebell te weren, wordt tijdens de avond juist veelvuldig instemmend geknikt. Niemand is boos of geschokt.

DWDD
Al met al is de avond een leuke mix van kunst en wetenschap. Natuurhistorie met een luchtige twist. Dat de formule wel erg veel weg heeft van De Wereld Draait Door – inclusief ‘huisdichter’ en grappige filmpjes in de vorm van fotostrips – is Naturalis vergeven: beter goed gejat dan slecht bedacht.

Benieuwd naar de andere (bio)diverse onderwerpen? Houd dan de website van Naturalis goed in de gaten. In het voorjaar staan nog drie Late Night Shows op de agenda.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Reportage | No Comments »

Exorbitante lichamen op de ‘Opening Night’ van (Exhibiting) Baroque Bodies

zondag, januari 29th, 2012

De poëzie, de banaliteit, het exces. Het vierdaagse festival (Exhibiting) Baroque Bodies belooft een spannend multimediaal festijn te worden. Het leven en werk van de uitzinnige libertijn John Wilmot (1647-1680) vormt het vertrekpunt van een artistiek en wetenschappelijk onderzoek naar de huidige betekenis van de zeventiende-eeuwse barokke ervaring. Tijdens de ‘Opening Night’ van het festival werden de eerste onderzoeksresultaten gepresenteerd in tentoonstellingen en theaterperformances.

‘Merry Monarch’
Wilmot was als dichter, pornograaf en court wit verbonden aan het extravagante Engelse hof van ‘Merry Monarch’ Charles II (1630-1685). Hij vormde een belangrijke schakel in de barokke geëxalteerde brij van weelderige vrouwenlichamen, groots uitgevoerde perspectivische decorstukken en theatrale ceremonies. Wilmot stelde namelijk  herhaaldelijk het voor de barokperiode zo belangrijke aspect van het lichamelijke centraal. Voortdurend tastte hij op zowel fysiek als mentaal vlak de grenzen van het betamelijke af, om ze vervolgens maar al te vaak te overschrijden. De Engelse hofcultuur van de Restauratie (het herstel van het koningschap van de Stuarts in 1660) schuwde het grootse, theatrale en scandaleuze gebaar niet.

Tentoonstellen van lichamen
De exposities van (Exhibiting) Baroque Bodies in Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond thematiseren nadrukkelijk het hedendaags ‘tentoonstellen’ van het lichaam. In de kleine foto- en video-expositie Haar en Hem van de Vlaamse fotograaf Titus Simoens wordt met behulp van technieken uit de haar en kledingmode subtiel geëxperimenteerd met het uitwisselen van verschillende identiteiten.

De Nederlandse beeldend kunstenaar Koen Hauser stelt in de video-expositie Ich bin der Welt abhanden gekommen (naar één van Gustav Mahlers Rückert-Lieder) de plasticiteit van het lichaam centraal. Tussen alle visuele overdaad, gemedieerd door tv en projectieschermen, is vooral de video waarin een afbeelding uit waarschijnlijk een zeventiende-eeuws wetenschappelijk handboek geanimeerd wordt interessant. Vrouwentenen bewegen hierin lustig mee op de maat van lichtvoetige muziek. Hauser verwijst hiermee niet alleen naar de hoofse fascinatie voor zowel wetenschap als frivoliteit, maar ook naar parodieën van zeventiende-eeuwse satirici op de wetenschap.

Het tweede deel van de tentoonstelling zoekt, in de setting van wat een aula van een crematorium lijkt te zijn, naar de reflectie en het intermenselijke achter de barokke en veruiterlijkte lichamen. Een aardige artistieke keuze, omdat Hauser hier niet alleen de overdaad van onze visuele cultuur voor even buitensluit, maar zich tegelijkertijd ook distantieert van de zeventiende-eeuwse, vooral absolutistische en patriarchale, kijk op het lichaam.

Dialoog
Alhoewel Simoens’ en Hausers tentoonstellingen degelijk en bij vlagen treffend van opzet zijn, willen zij maar niet komen tot een werkelijk interessante ‘dialoog’ tussen de barok van ‘toen’ en ‘nu’. Daarvoor zijn de lichamen die zij tot onderwerp hebben te braaf en weinig spannend. De artistieke keuzes van vooral Hauser vormen dan wel een aardige aanvulling op de barokke veruiterlijking, maar het venijn en de bijtende satire van Wilmot ontbreekt. Dit laatste geldt ook voor de eerste titelloze theaterperformance van de avond, uitgevoerd door studenten van het Rits Winter School project onder leiding van de Vlaamse maatschappelijk geëngageerde regisseur Ruud Gielens.

In de opening van de performance wordt tussen krioelende speelgoedkakkerlakken (het volk) een aftredend staatshoofd opgevoerd. Laverend tussen groteske woede, angst en opluchting, is hij lachwekkend, maar tegelijkertijd het toonbeeld van de huidige maatschappelijke onzekerheid. Na de treffende opening volgen helaas voornamelijk veel flauwe, nadrukkelijk absurdistisch gespeelde sketches over onder meer prille seksualiteit en huiselijke taferelen. Het is duidelijk: de barokke, hedendaagse ervaring die in deze performance onderzocht wordt, is er één van parodie en ironie.

Evenals in de twee tentoonstellingen, ontbreekt in de eerste theaterperformance van de avond de uitdagende link met de zintuiglijkheid van de zeventiende-eeuwse barokke ervaring en de daaraan verwante intrigerende verstrengeling van het banale, het poëtische en het schone. Misschien dat de aankomende lezingen van het festival, een nieuwe productie van Abattoir Fermé en een decadent slotfeest meer beantwoorden aan Wilmots poëtische excessen.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »

War as Ever! zou meer houvast moeten bieden

donderdag, januari 26th, 2012

Het kunstenaarsstel Tracy Mackenna en Edwin Janssen heeft in het Nederlands Fotomuseum een ruimte gekregen om te onderzoeken hoe we naar afbeeldingen van geweld kijken. Dat onderwerp is echter zo groot, dat de tentoonstelling moeilijk behapbaar is.

Toen en nu
Het uitgangspunt van de tentoonstelling vormt het album Van Kittensteyn uit de collectie van Atlas van Stolk in het Museum Rotterdam. Dit album uit 1613 bestaat uit prenten en tekeningen over onder meer de Tachtigjarige Oorlog. Mackenna en Janssen beschouwen het album als een vorm van zeventiende-eeuwse oorlogsjournalistiek. Het album zelf is helaas niet te zien in de tentoonstelling, maar er is wel een projectie van afbeeldingen te zien onder de titel WAR AS EVER! Eighty Years and One day. In deze projectie zijn fragmenten van de prenten gecombineerd met oorlogsfoto’s uit kranten die verschenen op 1 april 2003, de geboortedag van hun kind. Zo willen de kunstenaars vergelijken hoe mensen toen naar oorlogsafbeeldingen keken en hoe ze dat nu doen.

Reflecteren
Aan de hand van krachtige citaten uit Susan Sontags boek Regarding the Pain of Others (2003) wordt getracht dat kijken te ‘sturen’. De citaten op de posters zetten aan tot nadenken over heel verschillende kwesties. Waarom beelden we geweld af? Wat wordt wel afgebeeld en wat vinden we taboe? Maakt kijken naar andermans ellende je een voyeur? Zouden we nu, in vergelijking met de zeventiende eeuw, sneller gewend raken aan oorlogsafbeeldingen door de alomtegenwoordigheid van de media? Dat zijn een heleboel vragen om eens goed over na te denken. Het is de bedoeling dat een zogenaamde ‘print pedlar’, een karakter gebaseerd op historische straatventers, af en toe Rotterdam induikt en dit bespreekt met het publiek. Een symposium maakt dit project dat gericht is op publieksparticipatie compleet.

Weinig houvast
In de tentoonstelling is echter geen ‘print pedlar’ aanwezig en de citaten en de projectie zijn je enige houvast. Er worden een heleboel interessante vragen gesteld, maar daar blijft het dan ook bij. Het probleem is dat een slideshow elke afbeelding een korte periode toont, waardoor er net als in onze zapcultuur geen tijd is om uitgebreid stil te staan bij de beeldende kwaliteiten van de foto’s. Het is niet eens duidelijk welke foto’s uit de krant en welke uit de collectie van het Fotomuseum komen. Het gaat Mackenna en Janssen wellicht meer om het onderwerp dan om de vorm. Maar zelfs dan zijn de vragen om over na te denken zo uiteenlopend, dat je er ongeremd op los kan associëren.

Kijken naar foto’s en prenten
Een van de gedachten die het project oproept gaat over het medium. De vergelijking is niet helemaal eerlijk, want we kijken anders naar tekeningen dan naar foto’s. Een kunstenaar kan ellende mooi afbeelden, denk maar aan al die mooie schilderijen over het lijden van Christus. We verwachten dat een foto de werkelijkheid weergeeft zoals die zich min of meer voor de lens afspeelt (hoewel we wel weten dat daar veel mee gesjoemeld kan worden). Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer een journalistieke foto te ‘mooi’ is (te veel op kunst lijkt), we het beeld gaan wantrouwen. Dat schrijft Susan Sontag in het vijfde hoofdstuk van Regarding the Pain of Others. Het is opmerkelijk dat de kunstenaars voorbij lijken te gaan aan dit hoofdstuk.

Mackenna en Janssens project is misschien wel te ambitieus om in deze tentoonstellingsvorm goed uit de verf te komen. Het is jammer dat de interessante vragen die het project oproept nu geen doel treffen.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »

Crisis van het beeld in De Vleeshal

donderdag, januari 26th, 2012

In De Vleeshal in Middelburg is op dit moment de groepstentoonstelling Herfsttij van het modernisme te zien. Met deze tentoonstelling wil De Vleeshal tonen hoe vijftien hedendaagse kunstenaars omgaan met tijden van grote verandering, zoals de economische crisis waar we ons nu in bevinden. De tentoonstelling brengt werken van belangrijke conceptuele kunstenaars van dit moment bij elkaar. Een uitstapje naar Middelburg waard.

Uitgangspunt
De titel van deze tentoonstelling is geïnspireerd op Johan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen (1919), een boek waarin Huizinga beschreef hoe kunst in de middeleeuwen tot bloei kwam. Om grip te krijgen op de veranderingen om hen heen grepen kunstenaars terug naar het ‘verleden’. Directeur en curator Lorenzo Benedetti stelt dat kunstenaars van nu op dezelfde manier met grote veranderingen in de samenleving omgaan en heeft dit als uitgangspunt voor de tentoonstelling genomen. In dit perspectief toont hij het werk van vijftien hedendaagse kunstenaars die volgens Benedetti naar het verleden verwijzen en daarmee op deze tijden van economische en culturele crisis reageren.

Verleden
De tentoonstelling is op twee locaties te zien; in De Vleeshal in het laatgotische stadhuis op de markt en in De Kabinetten van De Vleeshal aan de Zusterstraat in Middelburg. Het valt meteen op dat de kunst die getoond wordt minimalistisch en conceptueel van karakter is. De meeste werken op de tentoonstelling refereren inderdaad aan het verleden. Het is alleen de vraag of ze daarmee automatisch reageren op de crisis. Een van de duidelijkere thema’s in de tentoonstelling is de digitalisering van het beeld. In De Kabinetten loop je bij binnenkomst tegen het werk bole and bark (2011) van Rob Johannesma aan, die oude dia’s uit het archief van het Allard Pierson museum opnieuw fotografeerde. De perspectivische diepte die hij in deze foto’s creëert is verbluffend. Naast de werken van Johannesma hangt een bewerkte landschapsfoto van Batia Suter. Twee andere grote landschapsfoto’s van Suter hangen in De Vleeshal. De korrelige zwart-wit foto’s van Suter zijn afkomstig uit oude boeken, die ze vervolgens met nauwelijks merkbare geometrische patronen heeft bewerkt. Petra Stavast reageert op de digitalisering van het beeld met haar portretfoto’s gemaakt met verouderde mobiele telefoons, die ze als staatsieportretten presenteert.

Crisis
Ook zeer de moeite waard zijn de twee videowerken van Gwenneth Boelens en Martijn Hendriks. Boelens tast letterlijk de ruimte af in haar 16mm filmprojectie Hand Wall (2007). De film zoomt in op haar hand die de muren en ramen van een ruimte aftasten. De projectie van haar hand op een muur op de muur in de tentoonstellingszaal werkt vervreemdend. Hendriks toont met Form, Counterform (2010) een oude zwart-wit film die digitaal bewerkt is met een zwarte driehoek. De film is zo bewerkt dat het net lijkt alsof de man in de film de driehoek telkens op een andere manier neerlegt. Vooral bij deze twee werken wringt het uitgangspunt van deze tentoonstelling. Waarom zouden deze twee werken reageren op de crisis? Alleen in het werk van Remco Torenbosch wordt de crisis herkenbaar in beeld gebracht. De bijdrage van Torenbosch bestaat uit blokken beton vermalen met krantenknipsels. Deze zogenaamde papercretes verwijzen naar de Amerikaanse hypotheekcrisis. Daarnaast presenteert hij de Europese vlag zonder sterren als een blauw monochroom schilderij. Via zijn materiaal keuze weet Torenbosch een politieke boodschap over te brengen verpakt als minimalistische werken.

Stof tot nadenken
Herfsttij van het modernisme brengt boeiende werken bij elkaar, maar het uitgangspunt van de tentoonstelling is niet overal even duidelijk. De meeste werken in de tentoonstelling zijn beïnvloed door de minimal art en conceptuele kunst uit de jaren zestig en zeventig. Deze tijd staat ook bekend om de grote veranderingen op sociaal en politiek gebied. Zou dat de link kunnen zijn? De tentoonstelling geeft veel stof tot nadenken en is zeker de moeite waard om te bezoeken.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »

De onuitwisbare (in)druk van Tsukioka Kōgyo

woensdag, januari 25th, 2012

Nadat de tentoonstelling Stille Schoonheid eind 2010 in het SieboldHuis te Leiden furore maakte, is het nu de beurt aan het Bonnefantenmuseum om de Japanse prentkunstenaar Tsukioka Kōgyo (1869-1927) te eren. Onder de ietwat gewijzigde naam De Schoonheid van de Stilte presenteert het Maastrichtse museum een zeventigtal werken, waaronder zo’n vijftig prenten, vier rolschilderingen en verschillende illustratieve objecten. De rode draad in de tentoonstelling is het klassieke nō-theater: een verstilde, spirituele beleving voor de adel, die Kōgyo op zeer secure wijze naar papier heeft vertaald.

Hoewel het Bonnefantenmuseum normaliter vooral werk toont van bekende kunstenaars uit het Westen, wordt er nu aandacht besteed aan een onbekende Oosterse prentkunstenaar uit de vorige eeuw. Reden hiervoor is dat de prenten perfect aansluiten op een reeks tentoonstellingen over ‘kunst op papier’. Doordat Kōgyo bij het grote publiek nog niet bekend is, zijn er geen verwachtingen van zijn werk. Dit maakt het spannend om de tentoonstelling te bezoeken.

Scènes uit het nō-theater
De Schoonheid van de Stilte vindt plaats op de intieme derde verdieping van het museum. Deze is verdeeld in drie zalen die allen een ander aspect van Kōgyo’s kunstenaarschap belichten. De ruimten zijn sfeervol aangekleed, met donkere kleuren en gedempt licht. Dit versterkt de mysterieuze, rustieke ambiance. De twee kleinere zalen tonen behalve scènes uit het nō-theater ook prenten met traditionele thema’s als landschappen, bloemen en dieren. De werken over het nō-theater tonen acteurs, muzikanten, voorwerpen en de opbouw van het toneel. Vaak is er een dennenboom te zien. Deze stond symbool voor een lang leven en vormde een belangrijk element in het nō-theater.

Mystieke sereniteit
Het tentoongestelde werk bestaat hoofdzakelijk uit vrij kleine dip- en triptieken op papier van uitstekende kwaliteit. Maar Kōgyo werkte ook op groter formaat en met ander materiaal. In de ruime zaal hangen vier levensgrote rolschilderingen, waarvan twee prenten op zijde zijn vervaardigd. Kenmerkend voor Kōgyo’s stijl is dat er meestal één centrale figuur staat afgebeeld, die heel nauwkeurig is weergegeven. De kleding is kleurrijk en de patronen zijn adembenemend gedetailleerd. Zo hier en daar is er een vleugje goud of zilver toegevoegd, waardoor het werk een hoogwaardige allure krijgt. De achtergrond is over het algemeen vrij leeg met slechts één kleur in diverse schakeringen. Meer is er ook niet nodig, want juist deze eenvoud voorziet de prenten van een mystieke sereniteit.

Illustratieve objecten
Ter illustratie worden er in vitrinekasten objecten uit het nō-theater gepresenteerd. Zo zijn er onder meer een prentenboek en maskers van een jonkvrouw en demon te zien. Het meest interessant is het houtblok waarmee Kōgyo één van zijn prenten heeft gedrukt. Voor elke kleur was een ander blok nodig, dat precies binnen de contouren van het eerste ontwerp moest passen. Kōgyo heeft dit zo secuur gedaan, dat zijn prenten niet van geschilderd werk te onderscheiden zijn. Daarmee laat het Bonnefantenmuseum zien dat het een goede zet is om ook aandacht te besteden aan kunstenaars die bij het grote publiek onbekend zijn, maar wiens werken uitblinken in stijl en techniek. Want na het bezoeken van de tentoonstelling zal de naam Kōgyo lange tijd in het geheugen gegrift staan.

Tags: , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »

Rotterdam Designprijs plaatst vormgeving in een verfrissend perspectief

dinsdag, januari 24th, 2012

Product design, food design, grafische en stedelijke vormgeving; design kent veel gedaantes. Met de tentoonstelling die is gekoppeld aan de Rotterdam Designprijs toont het Museum Boijmans Van Beuningen een actuele dwarsdoorsnede van design in Nederland. De vijftien werken, geselecteerd door vijf scouts, maken kans op één hoofdprijs en een publieksprijs. Het ontbreken van categorieën maakt de tentoonstelling bijzonder divers, maar vraagt je ook om appels met peren te vergelijken.

De scouts, allen zelf werkzaam in het veld, hebben hun persoonlijke smaak kundig laten gelden. De motieven voor hun keuzes lees je terug op zuilen en grote vellen semi-transparant papier die voor de ramen van de serre hangen. Interessant? Jazeker, want het geeft de tentoonstelling context en jou stof tot nadenken, zoals de vraag: wat is design eigenlijk?

Smakelijk vormgegeven
Is brood bijvoorbeeld design? Je zou kunnen zeggen dat een bakker vorm geeft aan bepaalde ingrediënten, maar in dat geval wordt het begrip wel erg ver opgerekt. Dan zou elk recept ‘design’ zijn en een slager evengoed een ‘designer’. Het vlees dat hij verkoopt wordt immers evenmin kant-en-klaar aangeleverd door Moeder Natuur, toch?

Daar denkt ontwerper en professor Matthijs van Dijk anders over. Hij nomineerde het Vlaamsch Broodhuys voor de kwaliteit van het brood, “maar vooral ook omdat zij inzien dat een winkel-formule rondom brood, een tijdloze product, heel erg past binnen deze op hol geslagen samenleving”. Volgens Van Dijk ervaar je door het eten van het brood “hoe ‘rewarding’ het leven eigenlijk kan zijn”. Op de tentoonstelling kun je zijn bewering proefondervindelijk testen: verse stukjes brood liggen klaar om opgegeten te worden Een smakelijke verrassing waarmee ze de bezoekers aardig weten te paaien, zo blijkt uit de tussenstand van de publieksprijs. Toch, een gimmick maakt van een bakker nog geen designer en het is jammer dat andere, vaak interessantere, werken daardoor minder aandacht krijgen.

Microscopic Opera
Microscopic Opera van Matthijs Munnik is zo’n designpareltje dat zich onderscheidt door een eigenzinnige visie op kunst, wetenschap en cultuur. Het werk is genomineerd door curator Sophie van Krier die zich lijkt te richten op vernieuwende ontwerpprocessen. Daarmee staat zij lijnrecht tegenover Van Dijk, die met zijn keuzes vooral laat zien dat design ook ‘alledaags’ is.

Microscopic Opera vergroot de bewegingen van gemuteerde, microscopisch kleine wormen uit tot theatrale proporties. Speciaal geschreven software zet die bewegingen om in abstracte sopraan-, bariton en tenor-operaklanken. Zo geeft Munnik een eigen geluid aan de wereld van micro-organismen en laat daarmee zien dat het leven op alle schaalniveaus een complexe compositie is. Microscopic Opera doet dat wat goede kunst in feite ook zou moeten doen: vragen, onderzoeken en beschouwen.

Alles design?
Doordat de tentoonstelling ‘high’ en ‘low’ naast elkaar toont, geeft het een verfrissende blik op de hedendaagse designwereld. Het gaat nu eens niet om strak vormgegeven, gelikte producten, maar ook om de vormgeving van bijvoorbeeld smaak en beleving. Het toont vormgeving in de volle breedte, zonder daarbij de diepgang te schuwen en roept vragen op, zoals: wanneer we alles om ons heen beschouwen als vormgegeven, waar houdt design dan op? Een antwoord krijg je niet, maar je mag wel een stem uitbrengen bij de Premsela Publieksprijs en dat blijkt nog best lastig met zoveel verscheidenheid. Stemmen kan tot 12 februari, dan wordt de winnaar bekend gemaakt.

Tags: , , , , , , , , , , , ,
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »

« Older Entries |