vrijdag, februari 3rd, 2012
Vraag vandaag de dag aan een willekeurig kind waar een biefstuk vandaan komt en het antwoord zal vaker ‘de Albert Heijn’ zijn dan ‘van een koe’. Deze afstand tot ons voedsel is ook onder volwassenen te bespeuren. Kunst- en architectuurcentrum Stroom in Den Haag neemt deze vervreemding als uitgangspunt voor Food Forward. Deze tentoonstelling laat werken zien van kunstenaars die nieuwe mogelijkheden verkennen voor de relatie tussen mens en voedsel in een stedelijke context. Hiermee wordt gezocht naar oplossingen voor ons toekomstig voedseltekort. De futuristische werken lijken soms wat vergezocht maar zetten wel aan tot denken over de voedselconsumptie.
Foodprint
In 2050 zullen er negen miljard mensen op aarde zijn en om al deze mensen te voeden moet de voedselproductie verdubbelen. De tentoonstelling Food Forward is de afsluiter van het meerjarige programma Foodprint over dit voedseltekort en de invloed van voedsel op cultuur en de stedelijke omgeving. Vorig jaar werden in het kader van deze serie bijvoorbeeld vier locaties in de Haagse Schilderswijk door bewoners beplant met eetbaar groen, fruit en kruiden. Met dit soort succesvolle initiatieven werd de voedselproductie zichtbaar gemaakt en teruggebracht naar de stad.
Alternatieven
Food Forward benadert het voedseltekort vanaf een andere kant. De exposerende kunstenaars proberen het probleem niet te herstellen, maar aanvaarden het en zijn zo in staat alternatieve oplossingen te creëren. De werken gaan dus ook veel verder dan stedelijk tuinieren; ze grenzen aan wetenschap en technologie.
Algen
Zo is er bijvoorbeeld van Michael Burton en Michiko Nitta de installatie Algaculture (2010-heden) te zien: een toekomstscenario voor een nieuwe culturele revolutie die de landbouw zal vervangen. Hier komen kunst en wetenschap op subtiele wijze samen. De boeiende projectie van een man die met een groene substantie is overdekt, laat de integratie van algen in het menselijk lichaam zien. Door deze algen wordt de mens semi-fotosynthetisch waarbij voedsel verkregen wordt door licht op te nemen.
Krimpen
Een ander futuristisch project is The Incredible Shrinking Man (2008-heden) van Arne Hendriks. Ook hij zoekt de oplossing niet in de voedselproductie maar bij de mens zelf. De mens wordt gemiddeld steeds langer en daardoor is ook steeds meer leefruimte en eten vereist. Door de mens te verkleinen tot vijftig centimeter hebben we in theorie slechts twee procent nodig van wat wij nu verbruiken. Zo wordt het mogelijk om ook binnen de stad ons eigen voedsel te verbouwen. Het idee blinkt uit in eenvoud, de uitwerking in inventiviteit. Food Forward laat het voorbeeld zien van een moestuin van kiemgroenten ter grote van een balkon en de Somatostatin Zebrafish Farm (2012). Deze kleine zebravisje zijn zo gemanipuleerd dat ze veel somatostatine bevatten: een natuurlijk groei remmend hormoon dat bovendien het voedselverwerkingsproces in de maag vertraagd. Door regelmatig zo’n visje te eten, zou de mens klein moeten kunnen blijven.
Uit de visionaire werken die Food Forward toont, blijkt dat kunst als oplossing voor het voedseltekort dus nog niet zo’n gek idee is als het misschien lijkt. Door andere vragen te stellen, ontstaan er creatieve en onverwachte oplossingen voor een mondiaal probleem. Ondanks dat deze soms wat onwerkelijk lijken, zijn ze allemaal geworteld in wetenschappelijk onderzoek of technologie. En vooral zetten de werken je aan het denken en maken ze je bewust van je eigen voedselconsumptie.
Tags: Arne Hendriks, den haag, Esther Blanken, Eten, Food, Foodprint, Michael Burton, Michiko Nitta, Recensie, stad, Stedelijke landbouw, Stroom, voedsel
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »
dinsdag, januari 31st, 2012
Het Cobra Museum heeft naar eigen zeggen met de tentoonstelling ‘Klee en Cobra. Het begint als kind’ een hoogtepunt in het 16-jarig bestaan te pakken. Het museum mag inderdaad trots zijn op deze prestatie. Met topstukken van Paul Klee en Cobra hebben zij een tentoonstelling gemaakt waar het plezier van af spat.
Topstukken
Paul Klee (1879-1940) en de Cobrakunstenaars kenden elkaar niet persoonlijk, dus op het eerste gezicht ligt de combinatie niet voor de hand. Pas acht jaar na Klee’s dood zagen de Cobrakunstenaars diens werk, toen het Stedelijk Museum in 1948 driehonderd werken van Klee toonde. Dat doet het Cobra Museum Willem Sandberg niet na, maar met honderddertig topstukken is er toch een mooi overzicht te zien van Klee’s oeuvre. Dit werk wordt bovendien mooi aangevuld met werken van onder anderen Karel Appel (1921-2006), Constant (1920-2005), Corneille (1922-2010), Eugène Brands (1913-2002), Asger Jorn (1914-1973) en Carl-Henning Pedersen (1913-2007). De schilderijen, tekeningen, aquarellen, sculpturen, zelfs handpoppen komen overal vandaan: van Tate Modern en Centre Pompidou tot de twee andere organisatoren: het Paul Klee Zentrum te Bern en het Louisiana Museum of Modern Art te Humlebaek.
Kinderen en kunst
In deze verzameling goedgekozen kunstwerken wordt de fascinatie van de kunstenaars voor het kind en de kindertijd helder tot uitdrukking gebracht. Klee gebruikte motieven uit kindertekeningen om inzicht te krijgen in zijn eigen werk en dat deed hij op geraffineerde wijze. Zo laat het museum zien hoe bootjes of engeltjes die Klee tekende als kind, terugkomen in zijn latere werk. De Naoorlogse Cobrakunstenaars waardeerden vooral de kinderlijke spontaniteit; het kind als ongevormd individu. Het is wel belangrijk om op te merken dat zowel Klee als Cobra geen kinderkunst wilde maken. Klee zei: “Vergeet nooit dat het kind niets van kunst weet”. Deze kunstenaars wilden net zo vrij kunnen werken als een kind en dat levert fantasievolle, kleurrijke kunst op die plezier uitstraalt, maar niet kinderachtig is. Er is een groot verschil te zien tussen Klee’s kindertekeningen en zijn meer overwogen volwassen werk.
Uitstekende inrichting
Vooral de bijzonder goede inrichting zorgt voor veel kijkplezier. Het tentoonstellingsontwerp zorgt voor een duidelijke structurering, maar leidt niet af van de werken. De eerste centrale zaal schetst op zwarte muren de historische context. Vijf verschillende zalen grenzen als een waaier aan deze introducerende ruimte. Iedere ruimte krijgt een eigen thema: de verbeelding van het kind, maskers, acrobatiek, agressie en (fantasie)dieren. Door de thematische opzet is de artistieke ontwikkeling van Paul Klee soms wat moeilijk te volgen. Maar het zorgt wel voor mooie vergelijkingen in stijlen en thematieken van de verschillende kunstenaars. Het is bijvoorbeeld interessant om in de ruimte ‘Dieren’ de ongeremdheid van Karel Appels schilderwerk in Dier onder sterren (1949) te vergelijken met de meer verfijnde techniek van Paul Klee in het daarnaast gehangen doek Bastard (1939).
De tentoonstelling in het Cobra Museum biedt een unieke kans om een mooie collectie werken van Paul Klee te vergelijken met de werken van de leden van de Cobra-beweging. Dankzij een goede inrichting en selectie van topstukken, bieden de kleurrijke, enthousiaste kunstwerken veel kijkplezier.
Tags: Amstelveen, Asger Jorn, Cobra Museum, Constant, Corneille, Eugène Brands, expressionisme, Karel Appel, moderne kunst, Paul Klee, Pierre Alechinsky, Recensie, schilderkunst, sophia zurcher, surrealisme
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »
zondag, januari 29th, 2012
Dode dieren, dat klinkt eerder macaber dan gezellig. Toch was dit het onderwerp van de Late Night Show in Naturalis te Leiden. De tweede aflevering in een reeks van vijf avondvullende programma’s met spannende kunst, prikkelende wetenschap en interessante sprekers, en dat alles over dode dieren. Naturalis haalde er alles uit wat erin zat, letterlijk…
Met uiterste precisie vilt Becky Desjardins een ekster. Voor het podium, zodat iedereen het goed kan zien. Het binnenste doet ze in een pot met alcohol. De schedel, vleugelbotten en poten verwijdert ze niet, om de natuurlijke vorm van het dier te behouden.
Een beetje luguber oogt het wel, maar voor Desjardins is het de normaalste zaak van de wereld. Ze is namelijk assistent preparateur van Naturalis, het museum met één van de grootste collecties opgezette dieren ter wereld. Met de Late Night Show geeft Naturalis een kijkje in hun ‘biodiverse’ keuken en daar horen dode dieren dus ook bij.
Lammetjes en mammoets
“We houden van ze, maar we eten ze ook op. We gebruiken en misbruiken ze”, de host van de avond Lucien Hanssen – onderzoeker aan het Centre for Society and the Life Sciences in Nijmegen – vat onze relatie met dieren in twee zinnen samen. Terwijl Desjardins prepareert, wisselen verschillende sprekers elkaar af om die stelling te onderbouwen. Zo vertelt filosofe Sabine Roeser over haar liefde voor lammetjes en praat biologe Barbara Gravendeel over de mogelijkheid van het tot leven wekken van uitgestorven dieren.
Kattentas
Hoogtepunt van de show is kunstenares Tinkebell die met veel humor spreekt over hoe ze haar geliefde kat eigenhandig uit zijn lijden heeft verlost en hoe ze op het idee kwam om van zijn velletje een handtas te maken. Ze geeft toe, het diertje doodmaken was niet makkelijk, maar volgens de kunstenares “voelt dat waarschijnlijk hetzelfde als voor elk baasje dat gedwongen is zijn huisdier een spuitje te geven”.
Provoceert Tinkebell om te provoceren? Misschien. Aan de andere kant, ze maakt wel een duidelijk punt. Als ze het dier had afgegeven bij de dierenarts was het beestje gecremeerd met honderden andere huisdieren. Van zijn as zou waarschijnlijk asfalt zijn gemaakt. Hoewel gebruikelijker, is dit in feite net zo discutabel en misschien zelfs minder respectvol. Om nog maar te zwijgen over al die dieren die we schaamteloos doden voor de vleesconsumptie. “Waarom is vlees eten niet erg, maar kunst ervan maken wel?” vraagt Tinkebell zich hardop af.
Hoewel er extra bewaking is ingezet om de eventuele tegenstanders van Tinkebell te weren, wordt tijdens de avond juist veelvuldig instemmend geknikt. Niemand is boos of geschokt.
DWDD
Al met al is de avond een leuke mix van kunst en wetenschap. Natuurhistorie met een luchtige twist. Dat de formule wel erg veel weg heeft van De Wereld Draait Door – inclusief ‘huisdichter’ en grappige filmpjes in de vorm van fotostrips – is Naturalis vergeven: beter goed gejat dan slecht bedacht.
Benieuwd naar de andere (bio)diverse onderwerpen? Houd dan de website van Naturalis goed in de gaten. In het voorjaar staan nog drie Late Night Shows op de agenda.
Tags: biodiversiteit, biologie, Christien Meindertsma, design, discussie, Droog Design, Joop van der Pligt, Kim Hoefnagels, Kunst, Late Night Show, Leiden, Lucien Hanssen, museum, Naturalis, natuur, natuurlijke historie, Pim Palsgraaf, Prehistorie, Reportage, Sabine Roeser, talkshow, Tinkebell, wetenschap
Posted in Kunst, Reportage | No Comments »
donderdag, januari 26th, 2012
Het kunstenaarsstel Tracy Mackenna en Edwin Janssen heeft in het Nederlands Fotomuseum een ruimte gekregen om te onderzoeken hoe we naar afbeeldingen van geweld kijken. Dat onderwerp is echter zo groot, dat de tentoonstelling moeilijk behapbaar is.
Toen en nu
Het uitgangspunt van de tentoonstelling vormt het album Van Kittensteyn uit de collectie van Atlas van Stolk in het Museum Rotterdam. Dit album uit 1613 bestaat uit prenten en tekeningen over onder meer de Tachtigjarige Oorlog. Mackenna en Janssen beschouwen het album als een vorm van zeventiende-eeuwse oorlogsjournalistiek. Het album zelf is helaas niet te zien in de tentoonstelling, maar er is wel een projectie van afbeeldingen te zien onder de titel WAR AS EVER! Eighty Years and One day. In deze projectie zijn fragmenten van de prenten gecombineerd met oorlogsfoto’s uit kranten die verschenen op 1 april 2003, de geboortedag van hun kind. Zo willen de kunstenaars vergelijken hoe mensen toen naar oorlogsafbeeldingen keken en hoe ze dat nu doen.
Reflecteren
Aan de hand van krachtige citaten uit Susan Sontags boek Regarding the Pain of Others (2003) wordt getracht dat kijken te ‘sturen’. De citaten op de posters zetten aan tot nadenken over heel verschillende kwesties. Waarom beelden we geweld af? Wat wordt wel afgebeeld en wat vinden we taboe? Maakt kijken naar andermans ellende je een voyeur? Zouden we nu, in vergelijking met de zeventiende eeuw, sneller gewend raken aan oorlogsafbeeldingen door de alomtegenwoordigheid van de media? Dat zijn een heleboel vragen om eens goed over na te denken. Het is de bedoeling dat een zogenaamde ‘print pedlar’, een karakter gebaseerd op historische straatventers, af en toe Rotterdam induikt en dit bespreekt met het publiek. Een symposium maakt dit project dat gericht is op publieksparticipatie compleet.
Weinig houvast
In de tentoonstelling is echter geen ‘print pedlar’ aanwezig en de citaten en de projectie zijn je enige houvast. Er worden een heleboel interessante vragen gesteld, maar daar blijft het dan ook bij. Het probleem is dat een slideshow elke afbeelding een korte periode toont, waardoor er net als in onze zapcultuur geen tijd is om uitgebreid stil te staan bij de beeldende kwaliteiten van de foto’s. Het is niet eens duidelijk welke foto’s uit de krant en welke uit de collectie van het Fotomuseum komen. Het gaat Mackenna en Janssen wellicht meer om het onderwerp dan om de vorm. Maar zelfs dan zijn de vragen om over na te denken zo uiteenlopend, dat je er ongeremd op los kan associëren.
Kijken naar foto’s en prenten
Een van de gedachten die het project oproept gaat over het medium. De vergelijking is niet helemaal eerlijk, want we kijken anders naar tekeningen dan naar foto’s. Een kunstenaar kan ellende mooi afbeelden, denk maar aan al die mooie schilderijen over het lijden van Christus. We verwachten dat een foto de werkelijkheid weergeeft zoals die zich min of meer voor de lens afspeelt (hoewel we wel weten dat daar veel mee gesjoemeld kan worden). Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer een journalistieke foto te ‘mooi’ is (te veel op kunst lijkt), we het beeld gaan wantrouwen. Dat schrijft Susan Sontag in het vijfde hoofdstuk van Regarding the Pain of Others. Het is opmerkelijk dat de kunstenaars voorbij lijken te gaan aan dit hoofdstuk.
Mackenna en Janssens project is misschien wel te ambitieus om in deze tentoonstellingsvorm goed uit de verf te komen. Het is jammer dat de interessante vragen die het project oproept nu geen doel treffen.
Tags: Atlas Van Stolk, fotografie, Museum Rotterdam, Nederlands Fotomuseum, Oorlog in Irak, oorlogsfotografie, prenten, publieksparticipatie, Recensie, relational art, Rotterdam, sophia zurcher, Susan Sontag, Tachtigjarige Oorlog, tekeningen en prenten, Van Kittensteyn
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »
donderdag, januari 26th, 2012
In De Vleeshal in Middelburg is op dit moment de groepstentoonstelling Herfsttij van het modernisme te zien. Met deze tentoonstelling wil De Vleeshal tonen hoe vijftien hedendaagse kunstenaars omgaan met tijden van grote verandering, zoals de economische crisis waar we ons nu in bevinden. De tentoonstelling brengt werken van belangrijke conceptuele kunstenaars van dit moment bij elkaar. Een uitstapje naar Middelburg waard.
Uitgangspunt
De titel van deze tentoonstelling is geïnspireerd op Johan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen (1919), een boek waarin Huizinga beschreef hoe kunst in de middeleeuwen tot bloei kwam. Om grip te krijgen op de veranderingen om hen heen grepen kunstenaars terug naar het ‘verleden’. Directeur en curator Lorenzo Benedetti stelt dat kunstenaars van nu op dezelfde manier met grote veranderingen in de samenleving omgaan en heeft dit als uitgangspunt voor de tentoonstelling genomen. In dit perspectief toont hij het werk van vijftien hedendaagse kunstenaars die volgens Benedetti naar het verleden verwijzen en daarmee op deze tijden van economische en culturele crisis reageren.
Verleden
De tentoonstelling is op twee locaties te zien; in De Vleeshal in het laatgotische stadhuis op de markt en in De Kabinetten van De Vleeshal aan de Zusterstraat in Middelburg. Het valt meteen op dat de kunst die getoond wordt minimalistisch en conceptueel van karakter is. De meeste werken op de tentoonstelling refereren inderdaad aan het verleden. Het is alleen de vraag of ze daarmee automatisch reageren op de crisis. Een van de duidelijkere thema’s in de tentoonstelling is de digitalisering van het beeld. In De Kabinetten loop je bij binnenkomst tegen het werk bole and bark (2011) van Rob Johannesma aan, die oude dia’s uit het archief van het Allard Pierson museum opnieuw fotografeerde. De perspectivische diepte die hij in deze foto’s creëert is verbluffend. Naast de werken van Johannesma hangt een bewerkte landschapsfoto van Batia Suter. Twee andere grote landschapsfoto’s van Suter hangen in De Vleeshal. De korrelige zwart-wit foto’s van Suter zijn afkomstig uit oude boeken, die ze vervolgens met nauwelijks merkbare geometrische patronen heeft bewerkt. Petra Stavast reageert op de digitalisering van het beeld met haar portretfoto’s gemaakt met verouderde mobiele telefoons, die ze als staatsieportretten presenteert.
Crisis
Ook zeer de moeite waard zijn de twee videowerken van Gwenneth Boelens en Martijn Hendriks. Boelens tast letterlijk de ruimte af in haar 16mm filmprojectie Hand Wall (2007). De film zoomt in op haar hand die de muren en ramen van een ruimte aftasten. De projectie van haar hand op een muur op de muur in de tentoonstellingszaal werkt vervreemdend. Hendriks toont met Form, Counterform (2010) een oude zwart-wit film die digitaal bewerkt is met een zwarte driehoek. De film is zo bewerkt dat het net lijkt alsof de man in de film de driehoek telkens op een andere manier neerlegt. Vooral bij deze twee werken wringt het uitgangspunt van deze tentoonstelling. Waarom zouden deze twee werken reageren op de crisis? Alleen in het werk van Remco Torenbosch wordt de crisis herkenbaar in beeld gebracht. De bijdrage van Torenbosch bestaat uit blokken beton vermalen met krantenknipsels. Deze zogenaamde papercretes verwijzen naar de Amerikaanse hypotheekcrisis. Daarnaast presenteert hij de Europese vlag zonder sterren als een blauw monochroom schilderij. Via zijn materiaal keuze weet Torenbosch een politieke boodschap over te brengen verpakt als minimalistische werken.
Stof tot nadenken
Herfsttij van het modernisme brengt boeiende werken bij elkaar, maar het uitgangspunt van de tentoonstelling is niet overal even duidelijk. De meeste werken in de tentoonstelling zijn beïnvloed door de minimal art en conceptuele kunst uit de jaren zestig en zeventig. Deze tijd staat ook bekend om de grote veranderingen op sociaal en politiek gebied. Zou dat de link kunnen zijn? De tentoonstelling geeft veel stof tot nadenken en is zeker de moeite waard om te bezoeken.
Tags: Batia Suter, conceptuele kunst, De Kabinetten van De Vleeshal, De Vleeshal, economische crisis, fotografie, Gwenneth Boelens, Herfsttij van het modernisme, installaties, Julia Geerlings, Lorenzo Benedetti, Martijn Hendriks, Middelburg, minimal art, modernisme, Petra Stavast, Rob Johannesma, videokunst
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »
woensdag, januari 25th, 2012
Nadat de tentoonstelling Stille Schoonheid eind 2010 in het SieboldHuis te Leiden furore maakte, is het nu de beurt aan het Bonnefantenmuseum om de Japanse prentkunstenaar Tsukioka Kōgyo (1869-1927) te eren. Onder de ietwat gewijzigde naam De Schoonheid van de Stilte presenteert het Maastrichtse museum een zeventigtal werken, waaronder zo’n vijftig prenten, vier rolschilderingen en verschillende illustratieve objecten. De rode draad in de tentoonstelling is het klassieke nō-theater: een verstilde, spirituele beleving voor de adel, die Kōgyo op zeer secure wijze naar papier heeft vertaald.
Hoewel het Bonnefantenmuseum normaliter vooral werk toont van bekende kunstenaars uit het Westen, wordt er nu aandacht besteed aan een onbekende Oosterse prentkunstenaar uit de vorige eeuw. Reden hiervoor is dat de prenten perfect aansluiten op een reeks tentoonstellingen over ‘kunst op papier’. Doordat Kōgyo bij het grote publiek nog niet bekend is, zijn er geen verwachtingen van zijn werk. Dit maakt het spannend om de tentoonstelling te bezoeken.
Scènes uit het nō-theater
De Schoonheid van de Stilte vindt plaats op de intieme derde verdieping van het museum. Deze is verdeeld in drie zalen die allen een ander aspect van Kōgyo’s kunstenaarschap belichten. De ruimten zijn sfeervol aangekleed, met donkere kleuren en gedempt licht. Dit versterkt de mysterieuze, rustieke ambiance. De twee kleinere zalen tonen behalve scènes uit het nō-theater ook prenten met traditionele thema’s als landschappen, bloemen en dieren. De werken over het nō-theater tonen acteurs, muzikanten, voorwerpen en de opbouw van het toneel. Vaak is er een dennenboom te zien. Deze stond symbool voor een lang leven en vormde een belangrijk element in het nō-theater.
Mystieke sereniteit
Het tentoongestelde werk bestaat hoofdzakelijk uit vrij kleine dip- en triptieken op papier van uitstekende kwaliteit. Maar Kōgyo werkte ook op groter formaat en met ander materiaal. In de ruime zaal hangen vier levensgrote rolschilderingen, waarvan twee prenten op zijde zijn vervaardigd. Kenmerkend voor Kōgyo’s stijl is dat er meestal één centrale figuur staat afgebeeld, die heel nauwkeurig is weergegeven. De kleding is kleurrijk en de patronen zijn adembenemend gedetailleerd. Zo hier en daar is er een vleugje goud of zilver toegevoegd, waardoor het werk een hoogwaardige allure krijgt. De achtergrond is over het algemeen vrij leeg met slechts één kleur in diverse schakeringen. Meer is er ook niet nodig, want juist deze eenvoud voorziet de prenten van een mystieke sereniteit.
Illustratieve objecten
Ter illustratie worden er in vitrinekasten objecten uit het nō-theater gepresenteerd. Zo zijn er onder meer een prentenboek en maskers van een jonkvrouw en demon te zien. Het meest interessant is het houtblok waarmee Kōgyo één van zijn prenten heeft gedrukt. Voor elke kleur was een ander blok nodig, dat precies binnen de contouren van het eerste ontwerp moest passen. Kōgyo heeft dit zo secuur gedaan, dat zijn prenten niet van geschilderd werk te onderscheiden zijn. Daarmee laat het Bonnefantenmuseum zien dat het een goede zet is om ook aandacht te besteden aan kunstenaars die bij het grote publiek onbekend zijn, maar wiens werken uitblinken in stijl en techniek. Want na het bezoeken van de tentoonstelling zal de naam Kōgyo lange tijd in het geheugen gegrift staan.
Tags: Bonnefantenmuseum, Japan, Leiden, Maastricht, Patricia Pisters, prentkunst, schoonheid, SieboldHuis, stilte, Theater
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »
dinsdag, januari 24th, 2012
Product design, food design, grafische en stedelijke vormgeving; design kent veel gedaantes. Met de tentoonstelling die is gekoppeld aan de Rotterdam Designprijs toont het Museum Boijmans Van Beuningen een actuele dwarsdoorsnede van design in Nederland. De vijftien werken, geselecteerd door vijf scouts, maken kans op één hoofdprijs en een publieksprijs. Het ontbreken van categorieën maakt de tentoonstelling bijzonder divers, maar vraagt je ook om appels met peren te vergelijken.
De scouts, allen zelf werkzaam in het veld, hebben hun persoonlijke smaak kundig laten gelden. De motieven voor hun keuzes lees je terug op zuilen en grote vellen semi-transparant papier die voor de ramen van de serre hangen. Interessant? Jazeker, want het geeft de tentoonstelling context en jou stof tot nadenken, zoals de vraag: wat is design eigenlijk?
Smakelijk vormgegeven
Is brood bijvoorbeeld design? Je zou kunnen zeggen dat een bakker vorm geeft aan bepaalde ingrediënten, maar in dat geval wordt het begrip wel erg ver opgerekt. Dan zou elk recept ‘design’ zijn en een slager evengoed een ‘designer’. Het vlees dat hij verkoopt wordt immers evenmin kant-en-klaar aangeleverd door Moeder Natuur, toch?
Daar denkt ontwerper en professor Matthijs van Dijk anders over. Hij nomineerde het Vlaamsch Broodhuys voor de kwaliteit van het brood, “maar vooral ook omdat zij inzien dat een winkel-formule rondom brood, een tijdloze product, heel erg past binnen deze op hol geslagen samenleving”. Volgens Van Dijk ervaar je door het eten van het brood “hoe ‘rewarding’ het leven eigenlijk kan zijn”. Op de tentoonstelling kun je zijn bewering proefondervindelijk testen: verse stukjes brood liggen klaar om opgegeten te worden Een smakelijke verrassing waarmee ze de bezoekers aardig weten te paaien, zo blijkt uit de tussenstand van de publieksprijs. Toch, een gimmick maakt van een bakker nog geen designer en het is jammer dat andere, vaak interessantere, werken daardoor minder aandacht krijgen.
Microscopic Opera
Microscopic Opera van Matthijs Munnik is zo’n designpareltje dat zich onderscheidt door een eigenzinnige visie op kunst, wetenschap en cultuur. Het werk is genomineerd door curator Sophie van Krier die zich lijkt te richten op vernieuwende ontwerpprocessen. Daarmee staat zij lijnrecht tegenover Van Dijk, die met zijn keuzes vooral laat zien dat design ook ‘alledaags’ is.
Microscopic Opera vergroot de bewegingen van gemuteerde, microscopisch kleine wormen uit tot theatrale proporties. Speciaal geschreven software zet die bewegingen om in abstracte sopraan-, bariton en tenor-operaklanken. Zo geeft Munnik een eigen geluid aan de wereld van micro-organismen en laat daarmee zien dat het leven op alle schaalniveaus een complexe compositie is. Microscopic Opera doet dat wat goede kunst in feite ook zou moeten doen: vragen, onderzoeken en beschouwen.
Alles design?
Doordat de tentoonstelling ‘high’ en ‘low’ naast elkaar toont, geeft het een verfrissende blik op de hedendaagse designwereld. Het gaat nu eens niet om strak vormgegeven, gelikte producten, maar ook om de vormgeving van bijvoorbeeld smaak en beleving. Het toont vormgeving in de volle breedte, zonder daarbij de diepgang te schuwen en roept vragen op, zoals: wanneer we alles om ons heen beschouwen als vormgegeven, waar houdt design dan op? Een antwoord krijg je niet, maar je mag wel een stem uitbrengen bij de Premsela Publieksprijs en dat blijkt nog best lastig met zoveel verscheidenheid. Stemmen kan tot 12 februari, dan wordt de winnaar bekend gemaakt.
Tags: CultuurBewust.nl, design, Dutch Design Week, Kim Hoefnagels, Kunst, Museum Boijmans van Beuningen, nominatie, Object Rotterdam, Premsela, Recensie, Rotterdam, Rotterdam Designprijs, tentoonstelling
Posted in Kunst, Recensie | No Comments »