Where The Wild Things Are illustreert de grenzeloze fantasie van een kind
Door: Lisa Rosing
Een kinderboek van een paar honderd woorden en een paar tekeningen omzetten naar een speelfilm. Regisseur Spike Jonze (Being John Malkovich, Adaptation) deed het, met behulp van scenarioschrijver Dave Eggers (Away We Go). En met succes.
Al in 1963 schreef Maurice Sendak het klassieke kinderboek Where The Wild Things Are, waarin de achtjarige Max, verkleed als wolf, terechtkomt in een fantasiewereld vol enge, harige wezens. Al snel merkt Max dat de monsters niet zo eng zijn als ze lijken. Ze hebben ruzie, en zijn voortdurend aan het kibbelen.
Hoewel de monsters eerst van plan zijn om Max op te eten, weet hij ze van gedachten te laten veranderen en ze er zelfs van te overtuigen dat hij hun koning moet worden. Alles zal dan beter worden, maar zoals te verwachten is gebeurt dit niet. Een groot aardkluitengevecht loopt uit op een fiasco, en ook het enorme onderkomen dat ze bouwen, veroorzaakt nog meer geruzie.
Het verhaal draait om de fantasie en de spontane ideeën van het achtjarige jongetje. De makers van de film hebben geprobeerd zich te verplaatsen in het hoofd van een kind. Daardoor zijn de spontane invallen van Max leidend voor alles wat er gebeurt. Als kijker denk je daardoor voortdurend: doe dat nou niet! Dat loopt verkeerd af! Max wordt bijvoorbeeld meerdere keren bijna verpletterd door de enorme wezens. Hoe vredelievend de monsters nou echt zijn, blijft steeds de vraag. Willen ze Max echt niet opeten, of bewaren ze dat alleen voor later?
Door de tegenwoordig alom aanwezige realistische animatietechnieken in films, is het even wennen als een ‘stap terug’ wordt gedaan. In Where The Wild Things Are zijn de enorme monsters namelijk gewoon lange mensen in pakken. Aan het begin is dat even wennen. Maar het past bij de sfeer van de film: realisme is niet het hoogste doel. Het ene monster ziet er dan ook geloofwaardiger uit dan het andere.
Wel is te zien dat er veel aandacht is besteed aan de pakken, die kloppen tot in het kleinste detail. De vachten van de monsters zien er aaibaar uit; hun voetkussentjes ruw en verweerd. Ook het afwisselende Australische landschap past bij de sfeer en draagt bij aan Max’ gevoel dat alles mogelijk is.
Er schuilen bekende namen achter sommige monsters. De stem van Carol, met wie Max bevriend raakt, is ingesproken door James Gandolfini (The Sopranos) en Forest Whitaker (o.m. The Last King of Scotland) nam de stem van Ira voor zijn rekening. Ook de aandoenlijke Max, knap neergezet door de jonge acteur Max Records, moet genoemd worden. Hij is het grootste gedeelte van de film het enige menselijke personage, en blijft goed overeind tussen de monsters.
Af en toe ligt het tempo van het verhaal te laag en zijn de gebeurtenissen net niet interessant genoeg. Maar over het algemeen weet de film de aandacht vast te houden. De film roept gevoelens van nostalgie op: hoe fijn en onbezorgd is toch het leven van een kind. Maar ook Max heeft het niet altijd makkelijk, met al zijn koninklijke verantwoordelijkheden. Een kinderfilm is het niet te noemen; wel een film óver kinderen. Een film die kinderen serieus neemt, zoals regisseur Jonze wilde. Dat is hem zeker gelukt.
03-02-2010




