Leon de Winter: “VSV is geen afrekening met Theo van Gogh”

Leon de Winter - VSV Interview

jul
30

Door:

Leon de Winter (1954) is bekend van bestsellers als God’s Gym (2002) en Het Recht op Terugkeer (2008). Onlangs verscheen zijn nieuwe roman VSV,  een verhaal over terrorisme, angst, vriendschap en liefde. CultuurBewust.nl ging met De Winter in gesprek over zijn nieuwe boek, zijn strijd met Theo van Gogh en de grens tussen realiteit en fictie in een verhaal dat speelt met de werkelijkheid. 

Je bent getrouwd met Jessica Durlacher. In VSV zijn jullie gescheiden en schrijft haar personage een boek over jullie mislukte huwelijk. Er wordt dan gezegd: ‘Dat is de prijs die je betaalt voor het huwelijk met een schrijfster.’ Hoe is dat, om met een schrijfster samen te leven?
“Jessica heeft me heel erg geholpen bij het schrijven van dit boek. Het is heerlijk om een hele goede lezer erbij te hebben, die je werk kan volgen en kritiek kan geven zonder dat het pijn doet. Zonder je te willen afmaken, maar wel altijd onverbiddelijk is. Dat is Jessica zeker.”

Zitten jullie vaak op een lijn?
“We zijn wel heel verschillende schrijvers, dus we zitten niet in elkaars vaarwater. Jessica schrijft heel andere dingen. Maar ik sta open voor haar kritiek en omgekeerd is dat ook het geval.”

Het is niet bepaald een geheim dat Theo van Gogh en jij elkaars vijanden waren. Hij heeft jou in het openbaar een aantal keren aangevallen en is daar ook voor veroordeeld. Toch speelt Van Gogh in VSV een grote rol. Het boek begint en eindigt met zijn toegang tot de hemelpoort: hij moet zich nog bewijzen als beschermengel voordat hij naar binnen mag. Een soort boetedoening voor zijn zonden op aarde, maar misschien ook voor zijn antisemitische uitspraken tegen jou?
“Het zou te ver gaan om het op die manier uit te leggen. Ik kende Theo van Gogh niet persoonlijk, ik heb hem zelfs nooit ontmoet. Door zijn uitspraken heb ik hem van zijn slechtste kant leren kennen, maar ik wilde geen afrekening schrijven. Het is me er niet om te doen geweest Theo van Gogh nog eens een keer op een heel andere manier onder de grond te stoppen. Het was juist de uitdaging om te kijken of ik een beetje bij hem in de buurt kon komen, op mijn manier.”

Heb je het idee dat dat is gelukt?
“Ja, want de Theo van Gogh die ik uitgevonden heb, begon ik tijdens het schrijven steeds leuker te vinden. En ik denk dat hij die kant – zoals ik hem beschrijf – misschien ook wel gehad heeft. In die zin is het geen afrekening maar juist een toenadering geweest.”

Naast Theo van Gogh, jezelf en Jessica heb je nog meer bestaande mensen als personages opgevoerd: Job Cohen, Mohammed Bouyeri, Geert Wilders, Piet Hein Donner, Bram Moszkowicz. Denk je dat zij een goede afspiegeling zijn van de mensen die ze in werkelijkheid zijn?
(lacht) “Ik denk dat ik aardig in de buurt kom. Althans, dat is iets wat ik mezelf wijs maak. Of dat zo is, weten alleen die mensen en hun omgeving. Ik heb overigens nog geen reacties gehad, maar ik denk dat ik er niet ver naast zit.”

In hoeverre is het voor jou van belang dat dit boek dicht bij de realiteit ligt?
“Dat is voor mij altijd van belang. Ik wil dat het heel realistisch is, want ik wil dat het geloofwaardig is.”

Maar het is natuurlijk wel fictie.
“Fictie verdraagt zich uitstekend met realisme. Realisme betekent gewoon dat je de regels van de werkelijkheid volgt. Dat geldt in dit boek overigens natuurlijk niet voor de verhaallijn van Theo van Gogh. Over het dodenrijk weten we helemaal niets. Maar alle andere dingen moet je toch echt zo realistisch mogelijk maken, alsof het zo had kunnen gebeuren.”

Zo ook de aanslagen die worden gepleegd. Een bom in het Muziektheater, een vliegtuigkaping op Schiphol, de bezetting van een elitaire school in Amsterdam Oud-Zuid. In hoeverre zijn dit voor jou realistische voorspellingen?
“Ik heb deze verhaallijn met deskundigen besproken tijdens het schrijven en ze voorgelegd wat ik van plan was. Het zou allemaal kunnen gebeuren. Voor iedereen die zich met terrorismebestrijding bezighoudt is het de ultieme nachtmerrie dat verschillende aanslagen tegelijkertijd plaatsvinden. Maar ik hoop natuurlijk dat het nooit gebeurt.”

De omslagen van je boeken doen vaak denken aan schilderijen van Edward Hopper. Aan het eind van het boek heeft Leon de Winter het ook over het ‘hopperachtige beeld’ dat in zijn hoofd zit en dat uiteindelijk het omslag van VSV is geworden. Waarom vind je dit zo’n intrigerend beeld?
“Het is een heel mysterieus beeld, een beetje dreigend. Hopper gebruikt mooie kleuren. Als ik zijn schilderijen zie, dan denk ik altijd: wat is het verhaal daar achter? Het is heel leuk om die stijl te volgen en zelf iets te verzinnen dat erop lijkt.”

 

Gepubliceerd op: 30-07-2012

Facebook reacties