Minimal Myth in Museum Boijmans Van Beuningen toont het struikelblok van het minimalisme
Door: Floor van Luijk
Geen persoonlijke stijl, geen kundigheid. Het minimalisme verruilde begin jaren zestig de emotie voor strakke, rationele reeksen industriële objecten. Museum Boijmans Van Beuningen presenteert deze zomer werk van toonaangevende minimalisten en Nulkunstenaars samen met hun hedendaagse geestverwanten. Dit alles om één vraag te beantwoorden: is van de minimalistische houding nog iets overgebleven? Minimal Myth laat je zoeken naar een antwoord dat al in de titel besloten ligt.
De tentoonstelling vindt plaats in drie grote zalen waarin de minimalistische, nul- en hedendaagse werken door elkaar worden getoond. Het Boijmans biedt de bezoeker geen kant-en-klaar verhaal, maar laat de werken voor zichzelf spreken. Hierdoor wordt een constante spanning duidelijk tussen de werken onderling. Deze spanning is door de hele tentoonstelling voelbaar, maar komt het duidelijkst naar voren in de middelste zaal.
Streven naar objectiviteit
In het midden van deze zaal staat een werk opgesteld van de Amerikaanse minimalist Donald Judd (1928-1994). Vier grijze, metalen kubussen staan naast elkaar met steeds een kleine ruimte ertussen. Het werk is industrieel, beschikt over geen enkele subtiliteit en verwijst naar niets in de buitenwereld. Ook de titel spreekt weinig tot de verbeelding: Galvanized Iron January 17 1973. Vier grijze metalen kubussen, meer is het niet, maar ook niet minder.
Doordat de objecten van Judd zelf weinig voorstellen, verschuift de aandacht van het object naar de manier waarop het object zich verhoudt tot de ruimte en de toeschouwer. Jij als toeschouwer, in een kubusvormige ruimte, kijkend naar zware stalen kubussen. Het werk maakt je bewust van je omgeving, en laat je niet dwalen in het denkbeeldige, maar werpt je terug in het hier en nu. Dit is minimalisme.
Terugkeer van subjectiviteit
Naast het werk van Judd hangen drie panelen aan de muur, een werk van Nathan Hylden (1978) uit 2012. De overeenkomsten vallen als eerste op. Het werk van Hylden is van metaal, neemt de kubus als onderwerp, is serieel en draagt een nietszeggende titel: Untitled.
Ondanks de overeenkomsten neemt Hylden een radicaal andere afslag en dit is waar de spanning voelbaar wordt. Terwijl de objecten van Judd puur op zichzelf staan, gebruikt Hylden fotografie, waarmee hij verwijst naar de buitenwereld. Bovendien toont Hylden de hand van de kunstenaar door expressieve witte strepen over de afbeelding te zetten. Hiermee weet hij treffend de problematiek van het minimalisme aan te stippen.
Hylden is namelijk niet de in enige in de tentoonstelling bij wie de buitenwereld en de emotie het werk binnendringen. Werken van Nulkunstenaars, zoals Jan Schoonhoven (1914-1994) en Ad Dekkers (1938-1974), maken gebruik van subtielere vormen. Bovendien is hun werk vaak met de hand gemaakt van materiaal zoals hout of papier-maché.
Zelfs Robert Morris (1931) en Carl Andre (1935), die begonnen met strak werk als dat van Judd, stapten later over op zacht materiaal en subtiele, vloeiende vormen. Daarnaast kun je je afvragen in hoeverre de kubussen van Judd objectief zijn. Hij herhaalde deze objecten honderden keren, en maakte ze zo tot zijn eigen handelsmerk. Bovendien voegde hij regelmatig kleur toe.
Bij het streven naar objectiviteit ligt de individuele expressie constant op de loer. Het Boijmans maakt de spanning tussen deze twee duidelijk voelbaar. Met als titel Minimal Myth trekt het museum een conclusie: het minimalisme is een onhaalbare mythe, en stuurt ons tevergeefs op een zoektocht naar objectiviteit.
Gepubliceerd op: 29-06-2012








