Ontdek het moderne vertelt een verwarrend verhaal over de moderne kunst
Door: Sophia Zürcher
Bij de tentoonstelling Ontdek het moderne in het Gemeentemuseum Den Haag verscheen een rijk geïllustreerde catalogus onder dezelfde naam. Net als in de tentoonstelling wil directeur Benno Tempel (1972) de geschiedenis van de moderne kunst niet vertellen als een opeenvolging van stromingen, maar op een meer associatieve manier. Dit resulteert in een verwarrend verhaal vol sprongen en zijwegen.
Moedig
Het uitgangspunt van het boek Ontdek het moderne is lovenswaardig en moedig. Doorgaans laat een geschiedenis van de kunst van de negentiende eeuw tot nu zich lezen als een opeenvolging van stijlen en stromingen. Door de kunststromingen niet strikt te scheiden, kunnen verschillende werken uit de museumcollectie op onthullende wijze gecombineerd worden. Tempel vergelijkt in het boek bijvoorbeeld een impressionistisch schilderij van Claude Monet (1840-1926) met een werk van de veel jongere Pablo Picasso (1881-1973). Monets bijna abstracte schilderij Blauwe regen werd geschilderd in 1925, dus bijna veertig jaar na het hoogtepunt van het impressionisme. Picasso keerde na zijn kubistische stijl, en na de Eerste Wereldoorlog, weer terug naar het gebruik van kloppend perspectief, kleurgebruik en proporties, zoals te zien is in Sybille (1921). De combinatie van deze werken uit dezelfde periode, maar van kunstenaars die behoren tot verschillende stromingen, roept de interessante vraag op wat nou modern is.
Zijwegen en sprongen
Toch blijkt een alternatieve kunstgeschiedenis, verteld aan de hand van kunstwerken uit de collectie van Gemeentemuseum Den Haag ook beperkend te werken, omdat werken van belangrijke vernieuwers als Marcel Duchamp (1887-1968) en Andy Warhol (1928-1987) ontbreken. Bovendien lukt het Tempel maar ten dele om structuur aan te brengen in deze ingewikkelde geschiedenis. Binnen de vijf thematische hoofdstukken worden allerlei zijwegen bewandeld en sprongetjes in de tijd gemaakt. Soms levert dat eigenaardige combinaties op. Zo springt Tempel in het eerste hoofdstuk ‘Stilstand en beweging’ waarin hij de experimentele penseelvoering van negentiende-eeuwse kunstenaars bespreekt, opeens naar het nu om het opbrengen van verf van een hedendaagse schilder als Robert Zandvliet (1970) te bespreken. De vergelijking is weliswaar interessant, maar zo’n zijspoor maakt het ook lastig om het verhaal te volgen.
Hak op tak
Het boek leest soms als een serie bijschriften bij prachtige afbeeldingen van kunstwerken uit de museumcollectie. Alle beschrijvingen van de kunstwerken zijn raak en zorgen dat je beter gaat kijken. Tempel probeert in plaats van het noemen van stromingen, uit te leggen waar kunstenaars geïnspireerd door waren door de context te schetsen. Maar met een wervelwind aan informatie over (kunst)historische, politieke, en technologische ontwikkelingen, wordt het al gauw een warboel. Bijvoorbeeld, in het laatste hoofdstuk wil Tempel de verschillende oorlogen van de twintigste eeuw bespreken, de democratiseringsbewegingen, de individualisering, de alomtegenwoordigheid van het fotografische beeld en de digitale revoluties. Dat is veel voor 23 pagina’s.
Het is een interessant uitgangspunt om de kunstgeschiedenis te vertellen zonder stromingen, maar waarschijnlijk werkt het beter in de vorm van een tentoonstelling, omdat je dan zelf de overeenkomsten en veranderingen kan ontdekken zonder heen en weer te hoeven bladeren. De mooie afbeeldingen maken veel goed, maar het is jammer dat een rode draad mist omdat de auteur te veel wil vertellen.
Gepubliceerd op: 07-05-2012








