Het sublieme leest als een trein, maar geeft geen antwoorden
Door: Sophia Zürcher
De kunstcriticus Hans den Hartog Jager heeft een nieuw boek geschreven. Of is het een essay? Of meer een beschouwing over de hedendaagse kunstwereld? Hoe dan ook, het is een boek dat gaat over schoonheid. Of over het sublieme? In ieder geval, het boek hoort bij de tentoonstelling Meer Licht in Museum de Fundatie te Zwolle. En het leest als een trein, want de vertellust druipt er vanaf.
Wikken en wegen
In het eerste hoofdstuk neemt Den Hartog Jager de lezer mee in zijn gedachtewereld. Hij bezichtigt The Weather Project (2003) van Olafur Eliasson (1967) in Tate Modern en worstelt met de vraag of hij de gigantische zoninstallatie mooi mag vinden. De kunstcriticus is in zijn recensies voor NRC Handelsblad een meester in het beschrijven van zijn ervaringen en overwegingen waardoor zijn oordeel altijd heel begrijpelijk is. Zijn enthousiasme over hoe hij kunst ervaart werkt bovendien aanstekelijk. Ook hier neemt hij de lezer mee aan de hand terwijl hij overpeinst of hedendaagse kunst ‘mooi’ mag zijn.
Een korte geschiedenis van de schoonheid
Het is dan ook verrassend dat hij vervolgt met een geschiedenis van de schoonheid. Door gebrek aan voetnoten en bronnen en doordat zijn eigen mening altijd doorschemert, is niet helemaal duidelijk of dit een wetenschappelijk essay is of een persoonlijke beschouwing. Het begint bij klassieke schoonheid, bij Plato, die aardse schoonheid als afgeleide van een onbereikbare ideeënwereld zag, en Pythagoras die het had over ‘meetbare’ schoonheid. Vervolgens wordt de romantische schoonheid behandeld; schoonheid als zelfexpressie. Door de onbeheersbaarheid van de natuur te schilderen, komt ook het ongemak in de kunst. Hier komt het schilderij van William Turner (1775-1851) als uitgangspunt van de tentoonstelling in Zwolle aan bod.
Einde van de schoonheid?
Tot slot verdwijnt de schoonheid langzamerhand door de verschillende avant-gardes die zich losmaakten van alle tradities tot ook schoonheid overboord werd gezet (Den Hartog Jager noemt dat onverschilligheid). Volgens de achterflap: ‘Toen Mark Rothko in 1970 zijn laatste doeken had geschilderd was dat het einde van de schoonheid in de moderne kunst.’ Den Hartog Jager constateert echter een opleving van het sublieme in de hedendaagse kunst.
Wat is schoonheid? En het sublieme?
Het blijft alleen onduidelijk wat de schrijver bedoelt met schoonheid en wat het verschil is met het sublieme. Juist door zijn enthousiasme wordt het een chaotisch verhaal. Het sublieme heeft iets te maken met natuur, overgave, bevrijding en het ‘aftasten van de geestelijke en fysieke grenzen’. Dat klinkt vaag, maar door de voorbeelden die Den Hartog Jager noemt, krijg je er wel een gevoel bij. De werken van Turner, maar ook van James Turrell (1943) of Anish Kapoor (1954) hebben iets overweldigends. Of neem nou het onaangename werk Bambi (2003) van Mirosław Bałka (1958): je ziet spelende hertjes in de sneeuw… in Auschwitz. De lieve hertjes op een plek waar zoveel kwaads is gebeurd; dat wringt. Dat kan je niet helemaal bevatten en je probeert te bedenken hoe dat komt. Is dat het sublieme? In woorden, hoe goed geschreven ook, kan Den Hartog Jager geen uitsluitsel geven; we zullen het moeten zien en ervaren.
Gepubliceerd op: 12-10-2011








